Regenboogreeks

maandag 28 juli 2008

Een vers dat als een nachtkaars uitgaat

Op zo'n dag kan het niet anders dan dat iemand het beroemde gedicht van Eliza Laurillard (1830-1908)citeert. Een paar jaar geleden kregen we bij de sectie Nederlands de vraag van wie dat gedicht ook al weer was van die mensen in een postkoets die het heel warm hadden. De moeder van de vrager had het gedicht vroeger altijd opgezegd tijdens bruiloften en partijen. Corrie Joosten dook in haar archief en kwam na een paar dagen met het verlossende antwoord: de schrijver was Eliza Laurillard en het gedicht heette 'Een vers dat als een nachtkaars uitgaat'. Ik heb alleen de twee volgende regels onthouden 't Was een dag van groote hette, / En de lucht was drukkend zwaar.
Ik dacht dat het gedicht wel makkelijk terug te vinden zou zijn op officiële websites (zoals het DBNL), maar ik vind het alleen maar bij particulieren. Op het DBNL wel een levensbericht. Daarin wordt door P.H. Ritter vooral ingegaan op zijn werk als predikant, maar Ritter heeft de beroemde redenaar ook zelf zien optreden.
Trad hij op, dan was de zaal te klein. Daar hebben wij den zeventigjarige twee uren lang hooren spreken en reciteeren, zonder een letter vóór zich, zijn auditorium ontroerend beurtelings en vermakend, het boeiend van het eerste tot het laatste woord. Na de voordrachten bleven de bestuursleden met hunne dames met den spreker nog eenigen tijd samen. Klokke twaalf ging men naar huis. Het waren gezellige avonden. En altijd was van die avonden, of hij de spreker van den avond was of niet, de president Laurillard het middelpunt.

En het is vooral het lichte werk in vers en voordracht dat Laurillard zo beroemd maakte. Ritter citeert het schema van zijn voordracht over de schoen.
I. Hoe de spreker aan zijn onderwerp kwam. (‘Ik keek mijn raam uit en zag op de straat een ouden schoen liggen’.)
II. De fabricatie. (De weide, de looierij, de fabriek, het magazijn.)
III. De historie. (De voortijd met bloote voeten. - De zolen der Oosterlingen. - De Grieken. - De Romeinen met hun solea, calceus, pero, caliga, soccus, cothurnus, Sicyonischen schoen. - De Germanen.)
IV. Soorten van schoenen, (De lage schoen, de hooge schoen, de halve laars, de heele laars, de waterlaars, de verwantschap met den klomp, de slof.)
V. Oude zeden en gewoonten.
VI. De schoen in de taal (‘De kinderschoenen uittrekken’, enz.) en in de namen van straten.
VII. De schoenmaker als grappenmaker.

Ik weet niet of je er nu nog volle zalen mee trekt, maar in die tijd was hij onnoemelijk populair: 'dan kon hij meer dan eens niet voortgaan door de toejuichingen.'

Terug naar de 'hette'. In de bloemlezingen en letterkundige overzichtswerken die ik bezit, komt hij niet voor. In mijn editie van Knuvelder wordt Laurillard alleen in een noot genoemd ('Niet onverdienstelijk werk in het humoristische genre schreven ook'). Gerrit Komrij neemt in zijn bloemlezing één gedicht op van de dichtende predikant: 'Een spreker die maar niet uit de war kwam'.
Het gedicht kopieer ik dus weer van een ander weblog op het gevaar af dat er fouten in staan.

EEN VERS DAT ALS EEN NACHTKAARS UITGAAT

In een dilligence zaten
Negen menschen bij elkaar;
't Was een dag van groote hette,
En de lucht was drukkend zwaar.

Alles wat die menschen zeiden,
Kwam zoowat op 't zelfde neer:
Niemand hunner sprak tenminste
Anders dan van 't heete weer.

Naast een jongen, dwazen dandy
Zat een onderofficier;
Nevens hem een rijzig zeeman,
Over dien een rentenier.

Naast den rentenier een nufje,
Als een uitgeknipte prent;
En naast haar een burgerjufvrouw
Met een Amsterdamsch accent.

't Was een ruwe paardenkooper,
Die weer achter deze zat,
En gewoon was zóó te spreken,
Of hij hooge ruzie had.

Aan zijn zijde een reizend hand'laar,
In zijn spreken razend vlug,
En daarnaast een rimp'lig bestje,
Bevend en gekromd van rug. -

" 't Is fameus!" zoo spreekt de dandy,
En daarbij wordt uiterst net
Met twee vingers en twee duimen
't Kneveltjen in krul gezet:

" 't Is fameus vandaag, meneeren!
Etouffant is de atmosfeer!
Men gaat waarlijk languisseeren
Naar wat vocht, - mijn woord van eer!"

"Ja!" zoo antwoordt hem de zeeman,
En zijn dasknoop zit al laag,
Maar hij trekt dien nog wat lager,
Tot zoowat de streek der maag:

"Erger nog as in Oostinje
Brandt de zon hier op je huid;
't Merg druipt weg uit al je knokkels;
't Pek loopt al de naden uit."

"Ja, 't is warm," zoo zegt de man nu
Die stil van zijn renten leeft,
En wiens hals een hooge heining,
Wit en helder om zich heeft:

" 't Is zeer warm," vervolgt hij, - keurig,
Of 't zóó naar de drukpers moet:
"Anders is de zon zoo lieflijk,
Maar thans kwelt derzelver gloed."

"Stel je voorr," zoo zegt de krijger
Trekkend aan zijn kinnebaard, -
Hand'ling, waar een ernstig fronsen
Van het voorhoofd zich mee paart:

"Stel je voorr, 'k heb met zoo'n hette
Eens vijf u...rren gemarrcheerrd;
't Was wat! Maar - in mijn carrière
Dient bepaald geobediëerrd."

"Nou maar,"spreekt de paardenkooper
Op zijn ouden ruzietoon, -
En zijn pet, heel schuin gestooten,
Dekt zijn hoofd niet, maar zijn koon, -

"Nou maar, wat wou jullie praten!
'k Leg hier de verklaring af,
Dat ik eens een dag beleefd heb,
Dat een peerd geen schaduw gaf.

'k Was op weg: 'k wou wat schuilen
Achter 't peerd, maar ja! toen scheen -
't Is zoo waar als ik 't je zeg, hoor! -
't Zonnelicht er dwars doorheen."

" 'k Weet nog wel," zegt nu het bestje,
En het bruine bovenvlak
Van haar hand loopt langs haar neus heen, -
"Dat de musschen van het dak

Zoo maar morsdood kwamen vallen,
Doe ik nog een meiske was;
En het vee kreeg 's zeumers koeken,
Want er stond geen sprietje gras."

"Ja, enfin!" zoo spreekt de hand'laar
In een snellen woordenvloed:
"Zie je? een glaasje grog van bessen
Straks in 't Posthuis, dat doet goed.

Ik ben altijd reizend , zie je?
Nu, enfin, dan kent men dat.
Grog of Beiersch, - prachtig! heerlijk!
Van dat Beiersch, frisch van 't vat!"

"Och!" zucht nu de burgerjufvrouw
"Liefe minsch! 'k bin sou verhit!
't mot wel sijn, sou 'k haast geloufen
Da'k sou an de sonsij sit.

Op uws plaassie is 't nog beiter,
Maar hier sweit een minsch sich doud;
'k mot u seggen: van mijn handen
Loupt een plassie in me schout."

Van de hette spraken allen, -
Maar die eene stijve nuf?
Wel, die zei daarbij maar telkens
Met haar zakdoek waaiend: "pf!"

In meer dan éénen zin, maar ook door dit besluit,
Gaat dit verheven dicht gelijk een nachtkaars uit.

Uit: Ernstig en los(1874)

3 opmerkingen:

Anoniem zei

Ik heb even in de UB-catalogus gekeken en die bundel voordrachten beleefde maar één herdruk (1884). Rerwijl de laatste oplage van zijn verzen in 1915 van de pers kwam. Zijn roem heeft de man dus nauwelijks overleefd. Wel is zijn met iemand anders geschreven Woordenschat in 1993 nog eens in herziene vorm herdrukt.

coen zei

Ja, zag ik ook. Er is nog een recensie over te vinden bij de NRC. Blijkbaar zijn die verzen wel goed verspreid, zo goed dat ze tot de volkskunst zijn gaan behoren.

katrien bervoets zei

vandaag 13 augustus 2015 is het zeer warm en kwam ineens het gedicht in me op dat
mijn moeder(1910-1998) in haar poezieschrift schreef en dat schrift heb ik gehad maar kan het niet meer vinden, ik kende alleen de eerste vier regels:
In een diligence zaten
negen mensen bij elkaar
Het was een dag van grote hitte
en de lucht was drukkend zwaar.
Ik raadpleegde internet en werkelijk tot mijn grote
verbazing vond ik het gedicht en ben heel blij.
katrien bervoets