zondag 5 juli 2015

Kroniek Leeuwarder Courant - Scoringsdrang

Scoringsdrang

Vorige week vrijdag heb ik mijn excuses gemaakt aan Arnon Grunberg in een Utrechts café dat Willem Slok heet en waar ze van alles en nog wat aan het plafond hebben gespijkerd waarvan je hoopt dat het nooit naar beneden komt. Ik sprak, als hoofdredacteur van het literaire weblog Tzum, Johannes van der Sluis en Chrétien Breukers toe, die allebei met een boek in de Tzum-reeks verschenen (vergeef me de sluikreclame). Als hoofdredacteur van weblog zit je in de vreemde positie dat je sommige mensen die bijdragen aan de site helemaal niet kent. Wij dachten lange tijd dat Johannes van der Sluis helemaal niet bestond. Hij woonde in Italië, las alleen maar heel moeilijke, dikke boeken en hij was onzichtbaar op Google. Op een gegeven ogenblik hoorden we zelfs dat Johannes van der Sluis misschien wel een pseudoniem was van Arnon Grunberg.

Dat laatste zou wel ironisch zijn, want toen we zeventien jaar geleden begonnen met de papieren Tzum stond in het eerste nummer een stuk stond van docent Egbert Spiekstra waarin hij het Boekenweekgeschenk van Grunberg De heilige Antonio vergeleek met Het dikke schrift van Agota Kristof. 'Plagiaat' kopte deze krant al had Spiekstra het over 'schatplichtig zijn aan', wat toch wel een klein verschil was. Voor een beginnend literair blad is een rel echter interessanter dan een debat over inhoudelijke nuances. Over het artikel was wel discussie geweest binnen de redactie, maar we waren al lang blij dat iemand onze polemische rubriek met de woordspelerige titel 'Tzum kotzen' wilde vullen.



Grunberg reageerde destijds nog per fax, en daarin schoffelde hij de beschuldigingen van Spiekstra vakkundig onderuit om te eindigen met de pijnlijke uitsmijter: 'Tsja, sommige mensen hebben niet alleen dood zaad in hun balzak maar ook in hun hoofd. Laten wij voor deze mensen bidden.' Zeventien jaar later zat de schrijver in het café om te luisteren naar Johannes van der Sluis (die allerlei zakelijke dingen voor Grunberg regelt) en had ik de kans om publiekelijk mijn excuses te maken voor een stuk dat meer de scoringsdrang van de redacteuren benadrukte dan hun literaire kennis. Jongens waren we, maar onaardige jongens.

Deze column verscheen eerder in de Leeuwarder Courant op 4 juli 2015.

zondag 28 juni 2015

Kroniek Leeuwarder Courant: Bitch

Bitch

Wees niet bang, hier komen vier regels poëzie. 'Ik ween om bloemen in de knop gebroken / En vóór den uchtend van haar bloei vergaan, / Ik ween om liefde die niet is ontloken, / En om mijn harte dat niet werd verstaan.' Ik denk dat ik de eerste strofe van dit gedicht van Willem Kloos aan mijn studenten kan uitleggen. De meeste studenten hebben het foute idee dat een docent altijd het goede antwoord weet bij poëzie. Terwijl ik tastend en zoekend op weg ga, bij voorbaat bereid om mijn interpretatie in te wisselen voor een betere, zien de meeste studenten het interpreteren als een geleerde goocheltruc: alsof je in één keer een vijfsterrencryptogram weet op te lossen.

Een tijd terug kwam schrijver Philip Huff in het nieuws met de bewering dat oudere critici niet goed meer snapten wat er in de boeken van jongere auteurs gebeurde. Dat leek me onzin, maar sinds ik deze week de tekst van de hit 'Drank & drugs' heb gehoord weet ik dat ik tot de generatie onwetenden ben toegetreden. Ik heb geen moreel oordeel over het lied, ik heb alleen geen idee waarover ze het hebben: 'Als je bitch wil chillen en ze belt mijn nummer / Dan ga ik wel komen, want ik ben flexibel / Nu ben ik in de club, nu sta ik voor de spiegel / Ik kan niet voor je liegen, we willen wat verdienen.'



Ik bedoel het niet ironisch; ik snap eenvoudigweg de verbanden niet. Waarom gaat de ik 'wel' komen en waarom is hij in dat geval flexibel? Als een andere bitch belt, zegt de ik dan 'stik dan'? Waarom dat twee keer herhalen van 'nu'? Even verderop komt de onbegrijpelijke zin: 'Alle tieners zeggen ja tegen MDMA / Je meisje is een mots, ze had seks met je pa.' Ik weet hoe ik mijn volgende poëziecollege moet beginnen. Ik leg dit lied van Lil' Kleine & Ronnie Flex voor en zemel wat over eindrijm, alliteratie en metrum en ga dan luisteren hoe een jonger iemand het mij uitlegt. Daarna sla ik keihard terug met 'De Blauwbilgorgel'.

Deze kroniek verscheen eerder in de Leeuwarder Courant op 27 april 2015.

woensdag 24 juni 2015

Kroniek Leeuwarder Courant: Kedinkedonkedinkedonkedink

Kedinkedonkedinkedonkedink

De dood van Drs. P kwam niet geheel onverwacht. Als je 95 jaar bent, dan staat Magere Hein ongedurig met zijn vingers te knakken. Dat er nog zoveel mensen van zijn werk hielden verbaasde me een beetje. Drs. P hoorde bij de echt ambachtelijke dichters, maar vanuit de poëziewereld zelf werd zijn werk toch vaak afgedaan als geknutsel. Dat gebeurt wel vaker bij dichters die vaste vormen hanteren. Voor een deel had Drs. P dat ook aan zichzelf te danken, schreef collega-dichter en ou-hoogleraar Wiel Kusters op Facebook: 'Psst, die Drs. P, nou niet meteen boos worden hè, ik vind hem meestal heel amusant, maar als het in interviews over (moderne) dichters ging had hij toch ook wel iets van een kruijenier, mag ik 't zo zeggen? Van andere dichtkunst dan de zijne had ie werkelijk geen benul. Dat leek mij een soort artistieke domheid, eerder dan arrogantie - al had het daar ook wel iets van.'

Uit balorigheid schreef Drs. P ook eens een carnavalshit, een 'dom refrein met veel herhaling' voor Adèle Bloemendaal. Misschien is dat wel zijn meest experimentele werk, met strofes als 'Kedinkedonkedinkedonkedink, mijn ome Daan / Kezinkezonkezinkezonkezink, er tegenaan Kewinkewonkewinkewonkewinke, op bezoek / Kerinkeronkerinke, onderbroek / Kriebeldekrab!' Dat is puur dadaïsme. 'Temitsemotsemitsemotsemitse, carnaval / Tefritsefrotsefritsefrotsefritse, raar geval / Teblitseblotseblitseblotse, feestneus opgezet / Tekwitsekwotsekwitse, in zijn bed / Hallekidee!' Het refrein 'Wat heb je gedaan, Daan? Waar kom je vandaan?' wordt inderdaad erg vaak herhaald: 18 keer.



In 2005 stelde ik Poëtisch Amsterdam samen waarin verschillende poëten plekken in de stad kozen, er een gedicht over schreven en er op een organische wijze een totaal onlogische maar boeiende poëzieroute ontstond. Drs. P stuurde ik een uiterst beleefde uitnodiging om mee te doen. Ik kreeg een handgeschreven briefje terug. 'Waarde mijnheer Peppelenbos, Tot mijn spijt moet ik U teleurstellen. Ik doe weliswaar aan versificatie, maar met poëzie heb ik weinig of geen bemoeienis. Gezien Uw lijstje komt het boek moeiteloos vol. Met oprechte groeten. H. Polzer' Ik heb zelden een zo elegant geformuleerde afwijzing gekregen.

Deze kroniek verscheen eerder in de Leeuwarder Courant op 20 juni 2015.

maandag 15 juni 2015

Kroniek Leeuwarder Courant: Tepper

Tepper

In het najaar komt De kunst is mijn slagveld uit, een dik boek van 800 bladzijden met brieven van Nanne Tepper (1962 - 2012). Samensteller Nick ter Wal zei afgelopen zondag tegen me dat hij de grootste moeite had om het aantal brieven te reduceren: er zijn mooie brieven genoeg om een uitgave van een paar duizend bladzijden te rechtvaardigen. Tepper denderde de literaire wereld binnen in 1995 met zijn debuut De eeuwige jachtvelden, daarna verscheen er sporadisch nog wel wat, maar dat evenaarde bij lange na niet het succes van zijn eerste roman. Tepper werd een schrijver die de hooggespannen verwachtingen niet kon waarmaken. Ziekte, slapeloosheid en depressies sloopten hem en op 10-11-12 pleegde hij zelfmoord.

In tegenstelling tot bijna iedereen vond ik dat debuut van Tepper niet zo geweldig. Voor de krant van de NHL (dat bestond vroeger nog: een onafhankelijke krant op een hogeschool) schreef ik een nogal negatieve recensie: 'Zijn personages blijven bloedeloos, zijn stijl is nergens bijzonder en de thematiek van het boek is al eens beter uitgewerkt. Wie dit boek looft, heeft zich zand in de ogen laten strooien.' Ik wist het toen ook al altijd beter dan iedereen. Een jaar later was ik gastheer op een literatuurfestival en aan mij was Nanne Tepper toebedeeld. Toen ik me aan hem voorstelde zei hij: 'Jij hebt ooit eens een column over mij geschreven.' 'Een recensie,' verduidelijkte ik. 'Oh,' zei Tepper misprijzend, 'noem je zoiets een recensie.'


Je onthoudt altijd de slechte recensies, ook al staat die in een hogeschoolkrantje en zijn alle landelijke bladen laaiend enthousiast. Ik begreep die reactie pas echt toen me later hetzelfde overkwam; de behoefte om een negatieve recensent belachelijk te maken is groter dan de bereidheid om je schouders op te halen. 'Zou je het erg vinden,' vroeg Nick ter Wal me enigszins aarzelend, 'als ik ook brieven opneem waarin jij uitgescholden wordt?' 'Nee,' zei ik, na enkele seconden bedenktijd. Nu moet ik tot november wachten om te lezen hoe eloquent ik word geschoffeerd, maar misschien ben ik tegen die tijd als voetnoot wel verdwenen omdat het boek ingekort moet worden. Misschien is dat nog wel erger.

Deze kroniek verscheen eerder in de Leeuwarder Courant op 13 juni 2015.

zondag 7 juni 2015

Kroniek Leeuwarder Courant: Jobsiade

Jobsiade

Sinds 2000 ben ik op vrijdagen parttime uitgever. We geven tussen de tien à twintig boeken per jaar uit. Mijn taak is vrij snel gereduceerd tot redacteur, omdat ik van de financiële kant van de zaken niets begrijp. Als ik een begroting lees, bekruipt me een lichte paniek omdat ik het systeem van debet en credit als iets ondoorgrondelijks beschouw. Voor iemand die in vier atheneum wiskunde met een zucht van verlichting heeft laten vallen leidt het zien van een reeks willekeurige cijfers tot een regressie van zijn rekentrauma. De afspraak op de uitgeverij is nu algemener geformuleerd: zorg dat we niet failliet gaan door de boeken die je uitkiest.

Donderdag werd bekend dat Ard Posthuma volgende week tijdens Poetry International de Brockway Prize ontvangt voor zijn vertalingen. Een van de meest rare boeken die we hebben uitgegeven is De Jobsiade van de vergeten Duitse schrijver Carl Anton Kortum, een achttiende-eeuws heldengedicht in knittelverzen. Voorbeeldje: als de jonge Hieronymus Jobs examen moet doen is hij wat zenuwachtig: 'Hij trachtte daarom zijn vrees te doen slinken / Door zich een stuk in zijn kraag te drinken, / Hoewel vader Jobs zich heeft uitgeput / In een afkeurend met-het-hoofd-geschud.' De vertaler van onder meer Goethe's Faust raadde ons dit boek aan, nadat geen enkele randstedelijke uitgeverij een uitgave aangedurfd had. Een vergeten schrijver, rammelende verzen en dan ook nog Duitse humor: dat leek geen formule tot succes.



Op de avond van de presentatie van De Jobsiade werd de vertaler geïnterviewd door Driek van Wissen die bezwaar maakte tegen één zinnetje uit de inleiding waarin hij zichzelf herkende: 'Light-versedichters tellen tegenwoordig de versvoeten van hun sonnetten of sonnettetten pijnlijk nauwkeurig, zeker nu een van deze renegaten als 'Dichter des Vaderlands' de poëtische troon geusurpeerd heeft.' Van Wissen, goed bevriend met Posthuma, kon het plaagstootje wel pareren en amuseerde zich met het heldengedicht. Natuurlijk is de vertaling van Faust ook een aardig klusje, maar om de onbeholpen stijl van Kortum even onbeholpen weer te geven is pas echt een beproeving. Het boek werd bijna nergens besproken. Wij hebben er echter enorm veel plezier aan beleefd en we zijn gelukkig net niet failliet gegaan.

woensdag 3 juni 2015

Kroniek Leeuwarder Courant: Canon

Canon

Hoeveel schrijvers uit de achttiende eeuw kunt u opnoemen? Of, om het wat makkelijker te maken: de zeventiende eeuw? Grote kans dat er ongeveer dezelfde namen uitkomen: Vondel, Hooft, Bredero. Afhankelijk van het genoten onderwijs komen daar nog wat schrijvers bij. Het literaire verleden lijkt onwrikbaar vast te liggen in de canon, een reeks hoogtepunten in de Vaderlandse letterkunde waarbij je - net als bij de top 2000 - je nooit meer afvraagt waarom iets mooi is. 'Bohemian Rhapsody' is gewoon het beste liedje allertijden, zoals Max Havelaar van Multatuli het beste boek allertijden is.

Samen met twee vrienden maak ik een literatuurmethode waarin een deel historische letterkunde zit en we kunnen even voor God spelen. Welke schrijvers vallen af en wie smokkelen we onze eigen canon in? Bij ons maakt Jan Vos (1610-1667) een comeback met zijn horrortoneelstukken in de Gouden Eeuw. Gravure erbij waarop iemand in de open haard levend verbrandt, terwijl een vrouw zich in de borst steekt omdat ze er net achter is gekomen dat het vlees dat ze net opgegeten heeft van haar eigen zonen afkomstig is. En ook Jacob Haafner (1754-1809) mag erbij, de man die al heel vroeg de misstanden van de Nederlandse en Engelse kolonisatoren in de Oost aan de orde stelde. Een hertaling van Thomas Rosenboom van zijn werk zorgde ervoor dat Haafner een iets groter publiek kreeg. 'Het gaat hier om iemand die Multatuli in meerdere opzichten naar de kroon kan steken - maar dan moet Haafner wel eerst herontdekt worden,' schrijft Rosenboom in de inleiding van Exotische liefde. Max Havelaar begint al een beetje te wankelen.


Af en toe kun je de geschiedenis dus herschikken. Het wordt lastiger naarmate je dichter bij het heden komt. Bij de afgelopen eeuw moeten natuurlijk Hermans, Mulisch en Reve een plek krijgen, daar is weinig discussie over, maar wie van de moderne, nog niet overleden auteurs verdient een plek op de Parnassus? Met iedereen die je wel noemt, noem je ook iemand niet. Arnon Grunberg wel, Esther Gerritsen ook. Maar Leon de Winter gaat af via een zijdeur. Moet ie maar betere boeken schrijven.

Deze kroniek verscheen eerder in de Leeuwarder Courant op 30 mei 2015

maandag 25 mei 2015

Kroniek Leeuwarder Courant: Foutje

Foutje

Als recensent maak je wel eens een foutje. Ooit heb ik consequent de naam van een schrijver verkeerd getikt en ook de eindredacteur heeft het niet opgemerkt zodat die recensie voor eeuwig onder een verkeerde naam in het archief staat. Daarnaast heb ik het debuut van Tommy Wieringa zo afgekraakt dat elke keer als ik de recensie weer onder mijn neus gewreven krijg het schaamrood me naar de wangen schiet. Je ziet meer het ego van de recensent dan een faire bespreking van het boek.

Dat Frans Kellendonk beschuldigd werd van antisemitisme in Mystiek lichaam, zoals Aad Nuis in 1986 in de Volkskrant schreef, kan nog steeds als een grote recensieblunder gezien worden. Ook deze krant kan niet vrijuit gaan, want Gerrit Jan Zwier schreef destijds: 'Zodra de verteller zich echter van dit antisemitisme bedient, ontspoort het verhaal op grove wijze.' Op een andere plek schrijft hij: 'Deze schrijver heeft er namelijk geen geheim van gemaakt dat hij zelf de herenliefde bedrijft!' Zwier, die bij mijn weten de vrouwenliefde bedrijft, is bij mijn weten nooit door Kellendonk ter verantwoording geroepen. Nuis wel, die kreeg meteen een beleefde, maar vileine brief na zijn recensie. 'Je hebt genoeg gelezen om te weten dat onderwerp en strekking van een boek niet altijd samenvallen - dat een boek over antisemitisme niet noodzakelijkerwijs antisemitisch is. Ondergang, bijvoorbeeld, is geen antisemitisch boek.'



Vorige week schreef Daniëlle Serdijn een recensie over de nieuwe roman van Jamal Ouariachi. Serdijn is wel vaker op een fout te betrappen. Zo liet zij bijvoorbeeld de prachtroman Juni van Gerbrand Bakker op Texel spelen. Ouariachi reageerde boos omdat de opvattingen van de hoofdpersoon in het inleidende stukje bij de recensie in de mond van Ouariachi lijken te worden gelegd. Aangezien het onderwerp pedofilie is, is dat nogal tricky. Een beleefde brief toen is nu een woedende tweet geworden: 'Oudste beroep ter wereld: hoer. Oudste leesfout ter wereld: ideeën van personages verwarren met die van hun auteur.' Toen ik er een stukje over schreef voor Tzum: 'Eigenlijk ben jij bij die flikker, Coen Peppelenbos, altijd nieuws.' Het werk van Kellendonk kan ik van harte aanbevelen.

Deze kroniek verscheen eerder in de Leeuwarder Courant op 23 mei 2015.

zondag 24 mei 2015

Herman heeft hem klemvast



Uit de serie onvergetelijke voetbalmomenten van de familie Peppelenbos. Mijn broer op doel. Dat is vreemd, want meestal stond ik op doel, omdat ik dan het minste kwaad kon. Herman is ook de enige die echt gevoetbald heeft. Bij SV Raalte, want die waren niet katholiek (dat soort voetbalde bij Rohda Raalte).



Nog een actiefoto. Wat me weer opvalt zijn de antennes op het dak, het tongetje uit de mond en die rode fiets die neergekwakt is bij het veld. Daar zullen we het op de verjaardagsvisite, mijn broer is jarig, wel over hebben, van wie die fiets is.



Je ziet nu een beeld waaruit blijkt dat ik beter de keeper kon zijn dan andersom.


Terwijl mijn broer op zoek is naar iemand die kan voetballen, loop ik zo te zien paaseieren te zoeken en mijn zusje doet iets onduidelijks met een kleinemeisjesbal. Echt een hecht team. 'Het veldje' zoals wij dit veldje toepasselijk noemden, is onherkenbaar veranderd. Naast de komst van het circus , was het maaien van het gras een terugkerend hoogtepunt. Met ongelooflijke inventiviteit maakten we dan grote bulten gras waar je vervolgens indook. Dat was het zo'n beetje: je maakte een bult en sprong erin. We deden nog niet aan hooikoorts in die dagen.

zondag 17 mei 2015

Kroniek Leeuwarder Courant: Lefste

Lefste

Welk boek wordt opgepakt door een criticus en welk boek niet? Daar bestaan vast wetenschappelijk onderbouwde antwoorden op, maar waarschijnlijk is de waarheid wat rommeliger. Ik word geleid door nieuwsgierigheid en door wat zich aandient. Een vast patroon zit er niet echt in. Toen mijn eerste roman uitkwam, Victorie - een titel die ik alvast had uitgekozen met het oog op een enorm verkoopsucces, was ik verbaasd over het uitblijven van respons in de landelijke kranten. Het boek werd wel genoemd in korte stukjes van ongeveer vijftig woorden, maar ik bleef hopen op een echte bespreking. 'Als je roman in een aankondiging staat, dan is je boek voor de rest dood,' zei men bij De Arbeiderspers en ik zag een bestseller aan de horizon verdwijnen. Een aankondiging betekent: geen bespreking.

Grote auteurs, van echte bestsellers, worden natuurlijk wel besproken. In de Volkskrant las ik vorige week een recensie van Arjan Peters over Geronimo van Leon de Winter. Het was een curieuze recensie, al was ik het met de argumenten die Peters gebruikte volledig eens: ‘Het is allemaal overtrokken en opgeschroefd. Te veel, te erg, te sentimenteel, het is te gek voor woorden.’ ‘Op andere momenten is De Winters verhaal dermate tranentrekkend mierzoet dat het moeite kost hierdoor ontroerd te raken (…)’ Zo gaat het nog een tijdje verder tot in de conclusie alle negatieve argumenten leiden tot iets positiefs: 'Geen fantasie kan de krankzinnigheid van de werkelijkheid benaderen, maar met dit universum van onwaarachtige complotten, ongehoorde acties en ontelbare schokeffecten komt hij een heel eind.' En De Winter krijgt vier sterren mee en een veer in zijn reet omdat hij 'de lefste schrijver van Nederland' is.


Ik herlas de recensie een paar keer, maar snapte de redenering nog steeds niet. En toen dacht ik ook aan al die schrijvers die dit voorjaar een roman hadden uitgebracht en elk weekend tevergeefs de boekenbijlagen opensloegen om mismoedig te constateren dat die weer niet besproken werd. Zelfs niet in een aankondiging. De auteurs die dan doorgaan, zijn de lefste schrijvers van Nederland.

Deze kroniek verscheen eerder in de Leeuwarder Courant op 16 mei 2015.


zaterdag 16 mei 2015

Een volstrekt noodzakelijk wandelpad in de Rembrandt van Rijnstraat


Zo ziet de Rembrandt van Rijnstraat er nog uit op Google Streetview. In het midden van de straat loopt een brede groene strook. Wat zou er mis zijn met zo'n strook? Je weet het pas als je het ziet. Een kronkelend wandelpad.