zondag 2 augustus 2015

Kroniek Leeuwarder Courant: Komkommer

Komkommer

U kunt vanmiddag wel op de Nieuwestad kijken of er een boot vol schaars geklede homo's langsvaart, maar er is toch een grotere trefkans op de Amsterdamse grachten. Al heel lang bestaat het fenomeen van de Roze Zaterdag die elk jaar op een andere plek in het land gehouden wordt, maar sinds Gay Pride bestaat hoeft de Amsterdammer de stad niet meer uit om aan homo-emancipatie te doen. Ik zie een overeenkomst met Manuscripta dat ook niet meer in Amsterdam gehouden wordt en prompt beginnen Amsterdamse uitgevers een eigen feestje. Roze Zaterdag krijgt nauwelijks media-aandacht, de Gay Pride-vlootschouw wordt live uitgezonden.

Thomas de Veen, criticus en literair verslaggever van NRC Handelsblad mag in deze vakantieperiode een weekje de televisierubriek overnemen en schrijft over Cucumber, een serie over de problemen rond wat oudere Britse gays. 'Is dat interessant voor een heteroseksueel publiek, vraag je je aanvankelijk af,' schrijft De Veen. Alsof de doorsnee heteroserie alleen door hetero's bekeken kan worden. De Veen bedoelt het allemaal goed en vindt dat je er toch als hetero naar kunt kijken. Meestal gaat zo'n aanprijzing gepaard met de expliciete mededeling dat de schrijver zelf geen homo is. En jawel: 'Een homo-onderonsje? Prima, dacht ik – maar dus niet voor mij. [...] Maar dan is het mooi dat hetero’s dat ook eens te zien krijgen, in een goede serie op televisie.'


Samen met Doeke Sijens heb ik drie gay-soaps geschreven, kortweg de Tavenier-cyclus, en als we op leeskringavondjes werden uitgenodigd om te praten over de boeken dan kwamen steeds dezelfde vragen en opmerkingen van de goedwillende lezers. Altijd de opmerking dat ze zelf geen homo waren, maar er wel een kenden, meestal met de opmerking dat de persoon in kwestie ontzettend aardig was. Altijd de opmerking dat er iets te veel seks in zat. Altijd de opmerking dat het best leuk was om ook eens over dat soort mensen te lezen. Je moet natuurlijk niet zeuren, je mag als homo zeggen wat je wilt, je mag alle functies bekleden die je ambieert, je mag ook gewoon trouwen, maar uiteindelijk blijf je behoren tot 'dat soort' mensen.

vrijdag 31 juli 2015

De Homo 100 2015 YouTube afspeellijst

Hier vind je de homo 100 van 2015. Op YouTube heb ik een afspeellijst gemaakt.



woensdag 29 juli 2015

Kroniek Leeuwarder Courant: Rozenblaadje

Rozenblaadje

'Als je bitch wil chillen en ze belt mijn nummer / Dan ga ik wel komen, want ik ben flexibel / Nu ben ik in de club, nu sta ik voor de spiegel / Ik kan niet voor je liegen, we willen wat verdienen.' Een paar weken geleden schreef ik dat ik deze regels uit het popualire liedje 'Drank & Drugs' totaal onbegrijpelijk vond. Vooral dat 'want ik ben flexibel'. Bij het festival Dichters in de Prinsentuin legde welwillende jongere bezoeker me de zin uit: 'Ronnie Flex is één van de makers van het nummer. Ik ben flexibel is dus een verwijzing naar zijn naam.' Het antwoord op moeilijke vragen is soms bijzonder simpel. 'Ja, ik dacht, ik help hem maar even,' zei de jongeman, 'anders blijft ie er zo mee zitten.'

Ik blijf ook steken in een seksscène in Onderworpen van Michel Houellebecq. 'Ze knielde voor me neer, liet eerst haar tong tussen mijn billen glijden voor een rozenblaadje, lang en teder, greep toen mijn hand en trok me overeind.' Ik dacht dat ik op seksueel gebied wel zo'n beetje alle uitdrukkingen kende, maar iemand een rozenblaadje geven, stond nog niet op mijn repertoire. Ik vroeg digitaal wat rond. Sebastiaan Kort van NRC Handelsblad wist het antwoord: 'In het Frans staat er ‘feuille de rose’. En Martin de Haan schrijft erover in Aan de rand van de wereld: Michel Houellebecq: “Zeg nu zelf, iemand een rozenblaadje geven klinkt toch duizend keer zo aangenaam als baffen of rimmen?”'



Iemand anders geeft het woord 'lotuskus' voor dezelfde seksuele handeling en als ik dat woord opzoek, dan krijg ik inderdaad verschillende vindplaatsen; bij 'rozenblaadje' is alleen de plantaardige betekenis in zwang. Maar daar komt verandering in: 'Dat rozenblaadje bestaat sinds Onderworpen overigens ook in het Nederlands, want ik vond het te mooi om niet letterlijk over te nemen,' aldus Martin de Haan. 'Ik heb het expres zo vertaald dat de context de betekenis van de uitdrukking min of meer duidelijk maakt (wat in het Frans niet het geval is). En wees gerust, de gemiddelde Fransman kent de uitdrukking ook niet.'

Deze kroniek verscheen eerder in de Leeuwarder Courant op 25 juli.

zondag 26 juli 2015

Door Groningen met Go Pro Camera

Vier studenten rijden (en lopen) door Groningen met een Go Pro camera. De eerste omcirkelt zo'n beetje mijn buurt.



donderdag 23 juli 2015

Open brief aan onderzoekster UMCG

Ik deed mee aan een onderzoek naar 'hart- en vaatziekten na behandeling voor zaadbalkanker'. Na afloop voelde ik me toch een beetje bekocht.

Image from page 118 of "An anatomical disquisition on the motion of the heart & blood in animals;" ([1906])

Geachte mevrouw X,

Dank voor uw antwoord van meer dan twee weken geleden. Ik zal de papieren wel niet goed gelezen hebben, anders had ik dit antwoord natuurlijk al kunnen weten. Ik wilde meteen terugschrijven, maar ik had het druk met de afronding van mijn werk op de hogeschool (tentamens, mondelingen, vergaderingen, u kunt zich er vast wel een voorstelling van maken) en daarna ben ik een weekje op vakantie geweest, maar nu ben ik terug en voel ik nog steeds de behoefte om te schrijven.

Laat ik zeggen dat dit onderzoek helemaal past in mijn ervaringen met het UMCG, niet met het 'grondpersoneel', de mensen die helpen, de mensen bijvoorbeeld van radiotherapie die je rechtleggen in de bunker beneden voordat je een schot bestraling krijgt, zij absoluut niet, maar wel met andere mensen binnen het UMCG. Laat ik drie dingen aanstippen:

1 Toen de huisarts me in 2007 doorverwees voor nader onderzoek kon ik kiezen uit twee ziekenhuizen: het Martiniziekenhuis en het UMCG. Omdat er bij het UMCG een wachttijd was van twee weken ging ik naar het Martiniziekenhuis waar ik vijf dagen later behandeld kon worden. Daar ontdekten ze 'testiskanker' en binnen 24 uur was ik geopereerd. Zoals u wellicht weet is het nogal een agressief kankertje. Nu kreeg ik nog een nabehandeling met 13 bestralingsessies. Ik heb me altijd afgevraagd hoe ver de kanker gevorderd zou zijn als ik twee weken had moeten wachten op het UMCG.

2 Na de operatie, na de bestralingen, kreeg ik eindelijk een gesprekje met de radioloog van het UMCG. Binnen 6 minuten stond ik weer buiten (u kunt een langer verslag lezen op mijn weblog) en ik voelde me nogal bekocht. Ik was niet gerustgesteld. Heb daarna gevraagd of alle afspraken weer via mijn uroloog in het Martiniziekenhuis konden lopen. Ik krijg binnen dat ziekenhuis altijd het idee dat ik meer als mens dan als onderzoeksobject gezien wordt. Vijf jaar lang ben je nog onder controle en daarna moet je het weer helemaal zelf kunnen. Zo´n controle, met bloedprikken en scans, is toch altijd weer enigszins angstig. Als ik iets de afgelopen jaren wel herkend heb, bij mezelf en bij anderen die kanker hebben gehad, dan zijn het twee zaken. Aan de ene kant voel je je enorm sterk; je hebt immers iets overleefd. Wat iemand zegt of schrijft, raakt me niet echt; wat ik doe met de rest van mijn leven bepaal ik zelf wel. Aan de andere kant is het extreme onzekerheid, omdat je ervaren hebt dat je leven soms van de ene dag op de andere totaal anders kan zijn. Wie garandeert je dat dat niet nog eens gebeurt?

3 Nu uw onderzoek. Natuurlijk wilde ik meedoen aan het onderzoek. Eerst die schriftelijke enquête ingevuld. Voor u zijn het slechts woorden, bij mij rakelden die vragen nogal wat op. Ik heb de enquête lang laten liggen op tafel, voordat ik die vragen ging beantwoorden.
Daarna kreeg ik een uitnodiging om mee te doen aan verder onderzoek. Ik bleek, de volgende dag, alleen het verkeerde mailtje gekregen te hebben. Ik hoefde niet naar het ziekenhuis te komen, ik hoefde alleen maar bloed te laten prikken. Ook goed. Het is wat afstandelijk zo'n onderzoek waarbij je alleen maar leverancier van data bent, maar alles voor de goede zaak.
Ik krijg het pakje thuis waarmee ik naar de bloedbank moet. Er staat een beschrijving bij hoe ik die twee buisjes vol bloed in een plastic omhulsel moet stoppen en daarna weer in een plastic zak, waarbij ik de sluitstrip moet dichtplakken en daarna moet ik alles ook nog in een gewatteerde envelop doen en die kan ik dan op de brievenbus gooien. Mijn plastic zakje met sluitstrip heeft echter geen sluitstrip, het is een nogal slordig afgeknipt boterhamzakje. Na de foute mail wekt dat niet heel veel vertrouwen.
Ik bel de assistente van mijn huisarts om een verwijsbriefje te krijgen voor de bloedafname, maar zij zegt dat dat waarschijnlijk niet nodig is. Op een maandagmiddag, ik heb net 's ochtends een presentatie van mijn studenten bijgewoond, fiets ik tussen mijn werk door naar de bloedbank (ik noem het maar even zo: dat bloedaftappunt krijgt om de zoveel jaar een nieuwe naam, zodat ze leuk kunnen investeren in nieuwe logo's etc.; de ruimte aan het Damsterdiep blijft even shabby).
Zomaar even bloed aftappen is er echter niet bij, want er zit geen formulier bij. Ik zeg dat dat waarschijnlijk niet hoeft, maar de prikster van dienst doet het niet. Er moet eerst iemand komen die hoger in rang is en nadat hij mij helemaal bevraagd heeft over het onderzoek, wie het afneemt, wat ik gehad heb (en ja, dan is teelbalkanker niet echt een gezellig onderwerp), ja dan pas mag er bloed afgenomen worden.
Ik fiets, het is vlakbij en dat afgeknipte boterhamzakje vertrouw ik toch niet helemaal bij de post van tegenwoordig, langs het ziekenhuis om het postpakket af te geven bij de balie. Na tien minuten in de rij gewacht te hebben, deinst de mevrouw achter de balie terug als ik de envelop wil afgeven, alsof ik een explosief kom afgeven. Ik had de envelop in de brievenbus in de hal moeten gooien. Alleen wanneer die daar niet door de gleuf kan, mag ik terugkomen. Gelukkig voor haar past het pakketje in de brievenbus.

Daarna schrijf ik u een mail dat ik de envelop heb afgegeven.

Ik krijg een mail terug met de opmerking 'Indien u nog vragen en/of opmerkingen heeft kunt altijd contact met mij of X opnemen.'
Mijn enige vraag is of ik ook de uitslag van dat bloedonderzoek krijg (u weet wel, je blijft toch extreem onzeker).

En dan mailt u terug dat dat niet gaat gebeuren: 'Helaas krijgt u geen uitslag van het bloedonderzoek.'

En toen dacht ik: als er weer een onderzoek komt van het UMCG waarbij ik leveren moet en niets terugkrijg, dan zeg ik: 'Stik.'


Met vriendelijke groet,

Coen Peppelenbos

woensdag 22 juli 2015

Kroniek Leeuwarder Courant: Discipline

Discipline

In juli worden in de Facebookgroep Leraar Nederlands door allerlei studenten studieboeken te koop aangeboden. Misschien ligt het in de aard van een letterkundige om alles te bewaren, maar ik heb in de kast nog de oude Knuvelder, de oude Lodewick, de oude Calis, de oude Dautzenberg staan (om maar een paar grote hits uit de literatuurgeschiedschrijving te noemen) en kan me niet voorstellen dat iemand aan het einde van zijn studie denkt dat een boek geen waarde meer heeft als hij voor de klas staat. Misschien ben ik gewoon bang dat het Basisboek Literatuur dat ik samen met twee collega’s geschreven heb opeens tussen handel zit.

In het Musée d’Art Moderne in Lille, een groot modern gebouw, dat voornamelijk uit baksteen is opgetrokken en op enige afstand van de stad ligt, is geen mens te bekennen. Tot opeens om de hoek zo’n dertig kinderen opdoemen. Zesjarige Franse kinderen die begeleid worden door hun meesters en juffen en het opvallendste is dat er bijna geen lawaai van afkomt. In een andere zaal zie ik een vergelijkbare groep op de grond zitten. Ze krijgen uitleg over een schilderij van Picasso. De juf stelt vragen zonder kinderachtig te worden en leert ze en passant iets over kleurgebruik en perspectief. In de zaal vol art brut loopt een groep volwassenen met het Downsyndroom. Ook hier bijna geen geluid.


Een uur later zitten de twee groepen kinderen buiten in twee grote kringen op het grasveld. Hun gedrag lijkt voorbeeldig. Geen geschreeuw of gehol. Wie langer kijkt ziet dat de discipline door de mooie, jonge schoolmeester afgedwongen wordt. Als een kind gaat staan of te veel lawaai maakt wordt hij afgeblaft. Terug in de kring! Zitten! De kinderen worden met u aangesproken als ze een fout maken. Idyllische samenlevingen vind je alleen bij onderdrukkende regimes. Ik denk aan de zoontjes van Jan Wolkers die hard hollend door musea de namen schreeuwden van schilders die ze herkenden van vorige bezoeken. In het museumpark trekken de Downers weer langs. Ze kijken een beetje bevreesd naar de schreeuwende meester. De laatste man van de groep wuift naar mij alsof hij me herkend heeft.

Deze kroniek verscheen eerder in de Leeuwarder Courant op 18 juli 2015.

maandag 13 juli 2015

Kroniek Leeuwarder Courant: Vakantielezen

Vakantielezen

Voor de meeste klasgenoten kwam het als een schok, de mededeling van meneer Smabers, onze leraar Nederlands, dat hij in de zomervakantie altijd twintig boeken las. In de rest van het jaar kwam hij nauwelijks aan lezen toe, maar dat haalde hij in de zomervakantie in. Twintig boeken, dat aantal was voor de meeste mensen in vier atheneum een grotere uitdaging dan de beklimming van de Mount Everest. Voor mij kwam de uitspraak ook als een schok. Vanaf dat moment wist ik dat het kon: zoveel boeken lezen in een paar weken. Door iets uit te spreken creëerde hij een nieuwe werkelijkheid.

Meneer Smabers was ook de leraar die me Het zwarte licht van Harry Mulisch in de handen drukte om het te lezen. Dat was een test waar ik jammerlijk voor faalde, want ik begreep helemaal niets van het boek. Alsof een rij-instructeur je bij de eerste les naar een doodlopende straat dirigeert. Dankzij de heldere zinnen van Willem Frederik Hermans kreeg ik later toch leeshonger in de literatuur. Mijn leesrelatie met Mulisch is nog in orde gekomen, al lees ik zijn boeken als een gast in een restaurant die bij een eerder bezoek een voedselvergiftiging heeft opgelopen.



Het mooiste moment is de week voor je vakantie, als je de boekenkast inspecteert op ongelezen boeken. En zoals elk jaar valt De man zonder eigenschappen af, want je kunt je niet voorstellen dat je dat leest op een naaktstrand in Den Haag, terwijl voor je een vrouw die glimt van de zonnebrandolie in een zure bom bijt. De nieuwe Houellebecq gaat wel in de koffer, die kun je overal lezen, al sla ik hem niet open als ik met de tram door de Schilderswijk rijd. Nu nog negentien erbij. Sinds de komst van de e-reader moet je je verantwoorden als je een stapel boeken meeneemt op vakantie. Mijn moeder neemt wel duizend boeken mee op haar iPad, ik twintig fysieke boeken in een rolkoffer. Twintig is voor mij een zomer, duizend betekent dat ik tien jaar ouder ben geworden. De toekomst moet wel te overzien blijven.

Deze kroniek verscheen eerder in de Leeuwarder Courant van 11 juli 2015.

zondag 5 juli 2015

Kroniek Leeuwarder Courant - Scoringsdrang

Scoringsdrang

Vorige week vrijdag heb ik mijn excuses gemaakt aan Arnon Grunberg in een Utrechts café dat Willem Slok heet en waar ze van alles en nog wat aan het plafond hebben gespijkerd waarvan je hoopt dat het nooit naar beneden komt. Ik sprak, als hoofdredacteur van het literaire weblog Tzum, Johannes van der Sluis en Chrétien Breukers toe, die allebei met een boek in de Tzum-reeks verschenen (vergeef me de sluikreclame). Als hoofdredacteur van weblog zit je in de vreemde positie dat je sommige mensen die bijdragen aan de site helemaal niet kent. Wij dachten lange tijd dat Johannes van der Sluis helemaal niet bestond. Hij woonde in Italië, las alleen maar heel moeilijke, dikke boeken en hij was onzichtbaar op Google. Op een gegeven ogenblik hoorden we zelfs dat Johannes van der Sluis misschien wel een pseudoniem was van Arnon Grunberg.

Dat laatste zou wel ironisch zijn, want toen we zeventien jaar geleden begonnen met de papieren Tzum stond in het eerste nummer een stuk stond van docent Egbert Spiekstra waarin hij het Boekenweekgeschenk van Grunberg De heilige Antonio vergeleek met Het dikke schrift van Agota Kristof. 'Plagiaat' kopte deze krant al had Spiekstra het over 'schatplichtig zijn aan', wat toch wel een klein verschil was. Voor een beginnend literair blad is een rel echter interessanter dan een debat over inhoudelijke nuances. Over het artikel was wel discussie geweest binnen de redactie, maar we waren al lang blij dat iemand onze polemische rubriek met de woordspelerige titel 'Tzum kotzen' wilde vullen.



Grunberg reageerde destijds nog per fax, en daarin schoffelde hij de beschuldigingen van Spiekstra vakkundig onderuit om te eindigen met de pijnlijke uitsmijter: 'Tsja, sommige mensen hebben niet alleen dood zaad in hun balzak maar ook in hun hoofd. Laten wij voor deze mensen bidden.' Zeventien jaar later zat de schrijver in het café om te luisteren naar Johannes van der Sluis (die allerlei zakelijke dingen voor Grunberg regelt) en had ik de kans om publiekelijk mijn excuses te maken voor een stuk dat meer de scoringsdrang van de redacteuren benadrukte dan hun literaire kennis. Jongens waren we, maar onaardige jongens.

Deze column verscheen eerder in de Leeuwarder Courant op 4 juli 2015.

zondag 28 juni 2015

Kroniek Leeuwarder Courant: Bitch

Bitch

Wees niet bang, hier komen vier regels poëzie. 'Ik ween om bloemen in de knop gebroken / En vóór den uchtend van haar bloei vergaan, / Ik ween om liefde die niet is ontloken, / En om mijn harte dat niet werd verstaan.' Ik denk dat ik de eerste strofe van dit gedicht van Willem Kloos aan mijn studenten kan uitleggen. De meeste studenten hebben het foute idee dat een docent altijd het goede antwoord weet bij poëzie. Terwijl ik tastend en zoekend op weg ga, bij voorbaat bereid om mijn interpretatie in te wisselen voor een betere, zien de meeste studenten het interpreteren als een geleerde goocheltruc: alsof je in één keer een vijfsterrencryptogram weet op te lossen.

Een tijd terug kwam schrijver Philip Huff in het nieuws met de bewering dat oudere critici niet goed meer snapten wat er in de boeken van jongere auteurs gebeurde. Dat leek me onzin, maar sinds ik deze week de tekst van de hit 'Drank & drugs' heb gehoord weet ik dat ik tot de generatie onwetenden ben toegetreden. Ik heb geen moreel oordeel over het lied, ik heb alleen geen idee waarover ze het hebben: 'Als je bitch wil chillen en ze belt mijn nummer / Dan ga ik wel komen, want ik ben flexibel / Nu ben ik in de club, nu sta ik voor de spiegel / Ik kan niet voor je liegen, we willen wat verdienen.'



Ik bedoel het niet ironisch; ik snap eenvoudigweg de verbanden niet. Waarom gaat de ik 'wel' komen en waarom is hij in dat geval flexibel? Als een andere bitch belt, zegt de ik dan 'stik dan'? Waarom dat twee keer herhalen van 'nu'? Even verderop komt de onbegrijpelijke zin: 'Alle tieners zeggen ja tegen MDMA / Je meisje is een mots, ze had seks met je pa.' Ik weet hoe ik mijn volgende poëziecollege moet beginnen. Ik leg dit lied van Lil' Kleine & Ronnie Flex voor en zemel wat over eindrijm, alliteratie en metrum en ga dan luisteren hoe een jonger iemand het mij uitlegt. Daarna sla ik keihard terug met 'De Blauwbilgorgel'.

Deze kroniek verscheen eerder in de Leeuwarder Courant op 27 april 2015.

woensdag 24 juni 2015

Kroniek Leeuwarder Courant: Kedinkedonkedinkedonkedink

Kedinkedonkedinkedonkedink

De dood van Drs. P kwam niet geheel onverwacht. Als je 95 jaar bent, dan staat Magere Hein ongedurig met zijn vingers te knakken. Dat er nog zoveel mensen van zijn werk hielden verbaasde me een beetje. Drs. P hoorde bij de echt ambachtelijke dichters, maar vanuit de poëziewereld zelf werd zijn werk toch vaak afgedaan als geknutsel. Dat gebeurt wel vaker bij dichters die vaste vormen hanteren. Voor een deel had Drs. P dat ook aan zichzelf te danken, schreef collega-dichter en ou-hoogleraar Wiel Kusters op Facebook: 'Psst, die Drs. P, nou niet meteen boos worden hè, ik vind hem meestal heel amusant, maar als het in interviews over (moderne) dichters ging had hij toch ook wel iets van een kruijenier, mag ik 't zo zeggen? Van andere dichtkunst dan de zijne had ie werkelijk geen benul. Dat leek mij een soort artistieke domheid, eerder dan arrogantie - al had het daar ook wel iets van.'

Uit balorigheid schreef Drs. P ook eens een carnavalshit, een 'dom refrein met veel herhaling' voor Adèle Bloemendaal. Misschien is dat wel zijn meest experimentele werk, met strofes als 'Kedinkedonkedinkedonkedink, mijn ome Daan / Kezinkezonkezinkezonkezink, er tegenaan Kewinkewonkewinkewonkewinke, op bezoek / Kerinkeronkerinke, onderbroek / Kriebeldekrab!' Dat is puur dadaïsme. 'Temitsemotsemitsemotsemitse, carnaval / Tefritsefrotsefritsefrotsefritse, raar geval / Teblitseblotseblitseblotse, feestneus opgezet / Tekwitsekwotsekwitse, in zijn bed / Hallekidee!' Het refrein 'Wat heb je gedaan, Daan? Waar kom je vandaan?' wordt inderdaad erg vaak herhaald: 18 keer.



In 2005 stelde ik Poëtisch Amsterdam samen waarin verschillende poëten plekken in de stad kozen, er een gedicht over schreven en er op een organische wijze een totaal onlogische maar boeiende poëzieroute ontstond. Drs. P stuurde ik een uiterst beleefde uitnodiging om mee te doen. Ik kreeg een handgeschreven briefje terug. 'Waarde mijnheer Peppelenbos, Tot mijn spijt moet ik U teleurstellen. Ik doe weliswaar aan versificatie, maar met poëzie heb ik weinig of geen bemoeienis. Gezien Uw lijstje komt het boek moeiteloos vol. Met oprechte groeten. H. Polzer' Ik heb zelden een zo elegant geformuleerde afwijzing gekregen.

Deze kroniek verscheen eerder in de Leeuwarder Courant op 20 juni 2015.