hij hem

hij hem
Nu in de winkel

zondag 29 april 2007

Recensie LC: William Soutar - Dagboek van een stervende

Verheven gedachten in bed

In 1930 raakt de Schotse dichter William Soutar bedlegerig als gevolg van een wervelontsteking. In oktober 1943 overlijdt hij. In de tussentijd leefde hij in zijn bed. Hij ontving er zijn bezoek, hij schreef er zijn gedichten en dagboeken. Een keuze uit zijn dagboeken is nu vertaald.

William Soutar wordt als een van de belangrijkste Schotse dichters voor de oorlog gezien. De vraag is of hij buiten Schotland ook van belang is. In een tijd waarin het modernisme hoogtij vierde, schreef hij nog steeds keurig rijmende kwatrijnen. In Dagboek van een stervende zijn aantekeningen opgenomen uit verschillende soorten dagboeken die Soutar, soms gelijktijdig, bijhield. Die keuze verscheen voor het eerst in 1954 en is in allerlei opzichten behoorlijk gedateerd. Tijdens het lezen ben je vooral benieuwd naar alle aantekeningen die niet zijn opgenomen. Zo verontschuldigt Soutar zich in zijn dagboek voor onvriendelijke opmerkingen over bepaalde personen, maar zo heel veel onvriendelijks lezen we niet. De samensteller heeft destijds gekozen voor de verheven gedachten, die nu vooral belegen en ouderwets overkomen. Als Soutar het bijvoorbeeld heeft over seks en de verhouding tussen man en vrouw schrijft hij: ‘Maar wanneer er sprake is van ware liefde is seks de gemeenschappelijke basis waaraan iedereen de vreugde van de scheppingservaring kan ontlenen. (…) En het vertrouwen van de scheppingsdaad vindt zijn voleinding in het kind. In het kind ontmoeten verlangen en levensdrang elkaar, en ook leven en dood, verkleefd als altijd.’
Voor een dichter die het werk van D.H. Lawrence bewonderde, zijn dit toch behoorlijk conservatieve opmerkingen, nog afgezien van de plechtstatige taal waarin ze zijn gesteld. Het dagboek leeft op bij de alledaagse notities. Als hij vanuit zijn bed ziet hoe de kat uit een boom valt, is dat veel aangrijpender dan zijn algemene wijsheden. Als hij op het einde van zijn leven vreselijk moet hoesten door de tuberculose en spreken en lachen moeilijk wordt, komen er opeens wel mooie zinnen: ‘Je begint steeds minder aanleidingen te zien om te lachen. Het is of je gevoel voor humor langzaam zijn geheugen verliest.’ Dat zijn opmerkingen die je werkelijk raken: nuchter geconstateerd, helder geformuleerd. Helaas zijn die in de minderheid. Het is bewonderenswaardig dat een kleine uitgeverij zo’n dagboek van een onbekende dichter durft uit te geven. Het is jammer dat ze slaafs de editie hebben gevolgd van een halve eeuw geleden. Een eigen keuze uit de dagboeken had misschien iets mooiers opgeleverd.

COEN PEPPELENBOS

WILLIAM SOUTAR: Dagboek van een stervende. Vertaald door Harry Oltheten. Vorroux, Bodegraven, 312 blz. €27,50

Eerder gepubliceerd in de Leeuwarder Courant, op 26 april 2007

zaterdag 28 april 2007

Over het centreren van poëzie

Ontwerpers houden van orde. Ik niet. In het verleden heb ik een paar keer (zonder resultaat) geprotesteerd tegen een ontwerper bij Wolters-Noordhoff die elk gedicht in een tijdschrift voor literatuur centreerde. Dat is leuker op de bladzijde, vond de ontwerper. Alles stond er toch? Waar zeurde ik over.

Laatst kwam een collega van me met een alleraardigst initiatief op een school waar men leerlingen aan het dichten had gekregen. Daarna hadden ze er een mooi, duur boekje van gemaakt. Alleen: alle gedichten waren gecentreerd. Zo'n bundeltje vind ik dan meteen verschrikkelijk.
In de loop der jaren ben ik bij verschillende tijdschriften en bij het maken van boeken altijd ontwerpers tegengekomen die gedichten centreren. Tegenwoordig krijg ik mijn zin altijd: een gedicht hoort niet gecentreerd op de pagina te staan, tenzij de dichter dat uitdrukkelijk zelf heeft aangegeven.

Vanmorgen keek ik op de VSBpoëzieprijs-site om het juryrapport te vinden dat is voorgelezen bij de uitreiking van de prijs gisteren aan Tomas Lieske. In de rechterkolom staan citaten uit gedichten van de genomineerden.
Gecentreerd natuurlijk.

vrijdag 27 april 2007

Recensie LC: Kees 't Hart - De kunst van het schrijven

De juiste struikeling

Is het mogelijk om een roman te leren schrijven? Duizenden amateurschrijvers denken van wel. Ze gaan op cursus of ze lezen de handboeken die de laatste jaren in gestage stroom verschijnen over het schrijven van proza en poëzie. Kees ’t Hart heeft daar zijn ‘leerboek’ aan toegevoegd.

In Nederland zijn de schrijfboeken onder te verdelen in twee categorieën: boeken vol voorbeelden en oefeningen en boeken door gevestigde auteurs, zoals Renate Dorrestein en Arie Storm, die over hun eigen schrijfpraktijk gaan. ‘t Hart
had zich als schrijver en criticus makkelijk kunnen aansluiten bij de laatste categorie. Dat heeft hij niet gedaan. Sterker nog, hij cijfert zich in De kunst van het schrijven weg als auteur en stelt zich dienend op ten opzichte van de collega’s die hij interviewt. Hella S. Haasse, A.F.Th van der Heijden, Tom Lanoye, Margriet de Moor, Thomas Rosenboom en K. Schippers onderwerpt hij eerst aan een vraaggesprek over één boek uit hun oeuvre. De vragen zijn voornamelijk technisch van aard. Waarom kiest iemand voor een bepaalde verteller, een stijl of structuur? Zo werkt Tom Lanoye niet met een schema: ‘Als ik op voorhand schema’s zou maken, dan denk ik dat ik een geraamte ga lopen opvullen met vlees, dat wordt niks, dus het moet al doende.’ Rosenboom, die altijd schema’s maakt ziet dat probleem niet, want ‘ik hoef me er toch niet aan te houden?’
Na de interviews volgt steeds de eerste bladzijde uit de besproken roman en een grondige analyse van ’t Hart van die bladzijde en het werk dat erop volgt. Ook hier gaat het vooral om de techniek. Door minutieus te kijken naar de woordkeuze, zinslengte en het beroep dat de auteurs doen op de zintuigen van de lezer (bij Schippers vooral zien, bij Van der Heijden ook reuk, smaak, tast en gehoor) word je meegetrokken in de keuken van de auteur. Je ziet hoe ze per zin een literaire wereld opbouwen en je merkt in hoeverre ze van elkaar verschillen.
Juist om die verschillen is het ’t Hart te doen. Daarom geen tips en kant en klare recepten om bestsellers te schrijven, want daarachter schuilt de gedachte dat er iets bestaat waaraan een boek moet voldoen voordat het goed is. ’t Hart laat juist de zoekende schrijver zien, de individuele keuzes die hij maakt. ‘De kunst van het schrijven’ is ook interessant voor de al die lezers in leesgroepen die altijd precies willen weten hoe een boek in elkaar zit en hoe lang een schrijver erover doet. De Moor zit op twee pagina’s per dag, Rosenboom op één.
’t Hart vergelijkt het ambacht met een circusact waarbij een clown vakkundig weet te struikelen: ‘Het schrijven van een goed boek is dus een kwestie van erop oefenen en dan, op een dag, verschijnt een goed boek. De juiste struikeling brengt uiteindelijk het goede boek voort. Een talentvolle schrijver is iemand die niet erg lang hoeft te oefenen.’ Dat biedt misschien hoop aan de beginnelingen.

Coen Peppelenbos

KEES ’T HART: De kunst van het schrijven. Querido, Amsterdam, 216 blz. €16,95.

Eerder gepubliceerd in de Leeuwarder Courant, 20 april 2007

zondag 22 april 2007

Opnieuw in De Stentor

Kreeg van mijn moeder een digitale foto gemaild van een rectificatie in De Stentor. Dat is toch netjes van die krant.

Recensie LC: Douglas Coupland - JPod

Priemgetallen, drieletterwoorden en Chinese tekens

Met Generation X werd de Canadese schrijver Douglas Coupland wereldberoemd. Het gaf een portret van een verloren generatie: zonder doelen, zonder idealen, alleen maar op zoek naar seks en drugs. Het was ook een komisch boek door de terzijdes in de kantlijn, waarin tekeningen stonden en korte woordverklaringen van moderne begrippen.

In Jpod lijkt Coupland, na enkele minder geslaagde romans, weer aan te sluiten bij zijn debuut. Ethan Jarlewski ontwerpt met vijf anderen een game. De vier mannen en twee vrouwen, absolute whizzkids, kennen hun eigen kantoorhumor.
Iemand deelt bijvoorbeeld alle priemgetallen uit tussen de 10.000 en de 100.000 waarbij één getal geen priemgetal is. Waarop 21 pagina's vol priemgetallen volgen. Of iemand geeft de eerste honderdduizend cijfers van pi met één fout cijfer ertussen, waarna 24 bladzijden lang cijfers komen, direct gevolgd door 24 bladzijden met 58.894 getallen waarin een 0 is vervangen door een hoofdletter O.
Jpod bestaat voor bijna een zesde deel uit getallen. Dat schiet wel op, tenzij je natuurlijk zelf ook het antwoord probeert te vinden. En dan hebben we het nog niet eens over de vele pagina's waar kreten staan, willekeurige letters, dollartekens, drieletterwoorden, Chinese tekens of statements als 'God is een configuratie- backupprogramma'. Of moderne tegelwijsheden als: 'Je uniek voelen is niet hetzelfde als uniek zijn.'
Het verhaal tussen al die terzijdes is ronduit grotesk te noemen. Dat de gamemakers door hun meerderen steeds tot wijzigingen in hun game gedwongen worden en besluiten een uiterst bloederige variant te maken met Ronald MacDonald in de hoofdrol is nog tot daaraantoe, maar ook de familie van Ethan is uiterst bizar getekend. Zijn moeder heeft een illegale wietplantage in haar huis en deinst er niet voor terug iemand te vermoorden, zijn vader is een mislukte acteur die probeert een rolletje in een film te krijgen als sprekende figurant en zijn broer zit in de louche huizenhandel. En ze hebben allemaal te maken met een Chinese maffiabaas die rijk wordt met het smokkelen van mensen.
Deze ingrediënten tezamen leveren een bizar boek op, dat volkomen ongeschikt is voor mensen die een realistisch beeld van de werkelijkheid voorgeschoteld willen krijgen of zich willen verliezen in het karakter van de hoofdpersoon. Wie die eisen niet stelt aan literatuur en de taal van een computernerd begrijpt, vermaakt zich prima. Dat is tegelijk het nadeel van deze roman: meer dan amusement is het niet.

COEN PEPPELENBOS

DOUGLAS COUPLAND: Jpod. Vertaald door Dennis Keesmaat en Nan Lenders. Anthos, Amsterdam, 458 blz. €22,95.

Eerder verschenen in de Leeuwarder Courant, 03 november 2006

Uitslag dichtersvoetenspel 6

Kreeg wel enkele reacties via de mail, maar die waren niet goed (stonden zelfs niet eens op de handige deelnemerslijst die ik erbij had gezet). De dichters die bij de foto's hoorden waren Jan Glas en Lupko Ellen.

Anna Blamanhuis

Twintig vrouwen en één man zaten in het zaaltje achter het Anna Blaman Huis in Leeuwarden te wachten op de vier schrijvers die op een mooie zomerse zaterdag zouden komen voorlezen uit eigen werk.
Doeke mocht met zijn Friese jongens, het boek waarmee hij afscheid heeft genomen van de Friese letteren, beginnen.


Ik las voor uit Sing Sing. Later zei een vrouw bij onze kraam: 'Je gedichten spraken me wel aan, maar ze gaan zo over mannen.'


Na een korte pauze trad Anja de Crom voor die eerst het publiek onderwierp aan een test.


Adriënne Nijssen presenteerde haar nieuwe De derde draad en gaf een exemplaar aan Truus van het Anna Blaman Huis.

Alles werd vastgelegd door Jenny Protzman (behalve de foto's op deze pagina).


Gelukkig kwamen er aan het einde van de middag nog twee mannen binnen die maar liefst drie boeken van ons kochten.

vrijdag 20 april 2007

Friese jongens gepresenteerd

In de Wolters-Noordhoffzaal is vanmiddag de verhalenbundel die leest als een roman Friese jongens gepresenteerd. Met dit boek neemt Doeke Sijens afscheid van de Friese literatuur.
Uitgever Peter ten Hoor overhandigde het eerste exemplaar aan de auteur die het meteen doorgaf aan Piet Bijlholt aan wie het boek is opgedragen. Op de foto links Anton Brand die de middag weer meesterlijk presenteerde.


Dichters in café Kult

Naast De Dichtclub in café Marleen kent Groningen nog een poëziepodium: de Woordjam in café Kult onder de bezielende leiding van Sieger MG. Aangezien mijn vergadering met Literair Nederland vanavond niet doorging kon ik daar een kijkje nemen. Veel oude bekenden van vorige week in Blend.

Kasper Peters begon en vertrok meteen na zijn optreden.
Andere dichters kwamen later binnen. De optredens waren wat anders geregeld dan bij Marleen. Hier traden de dichters steeds met een of twee gedichten op. Dat zorgde voor een grote omloopsnelheid. Elk blokje poëzie werd afgewisseld met muziek, waarna de carroussel opnieuw begon. Een paar sfeerplaatjes:

Paul M. Borggreve die zich elke keer voorstelde.


Emiel Matulewicz bij zijn tweede optreden.


Jan Glas showt zijn nieuwe T-shirt.


Corrie Boin in actie.


Onder het aandachtig luisterende publiek Tjitse Hofman en Anneke Claus.


Sieger MG hield de microfoon ook vrij voor spontane optredens. Zo debiteerde deze dame met jas een wijsheid in het Engels waardoor iedereen gesticht naar huis kon.

De Gerbrand Bakker-banier

Sommige auteurs zijn zo succesvol dat hun uitgeverijen banieren maken met het gehele oeuvre erop. Cossee deed dat voor Gerbrand Bakker. Van Athena's boekhandel kreeg ik er één kado.

donderdag 19 april 2007

Sing Sing in de Stentor / Sallands Dagblad

Sta ik eindelijk in de Stentor (Sallands Dagblad), staat mijn naam foutief geschreven: Peppelenbosch en Peppelenborg. Mijn moeder belde me op met het heugelijke nieuws dat ik op de voorpagina stond van de Sallandse editie. Op internet vond ik het artikel terug.
Journalist Henri Bruntink heeft ook nog amateur-historicus Jan Veerman geïnterviewd over de bibliotheek van mijn opa en oma. Ben toch wel blij dat Sing Sing nu ook in Salland enige bekendheid krijgt.

Nieuws! Eenzame uitvaart en meer

1 Rense Sinkgraven, stadsdichter van Groningen, zet de traditie voort die door Bart FM Droog is begonnen: een gedicht voor iemand die zonder familie en bekenden wordt begraven. Lees zijn gedicht hier. En over de achtergronden lees je meer bij Joep van Ruiten.
2 Ted van Lieshout maakt diverse omslagen voor deel drie van zijn boekenserie Papieren Museum. De lezers van zijn weblog mogen meedenken.
3 Edward van de Vendel heeft een Gouden Zoen gekregen voor zijn mooie boek Ons derde lichaam. Van harte aanbevolen.

Recensie LC: Paul Auster - Op reis in het scriptorium

Personages komen verhaal halen

Stel dat Walt Disney een boek had gemaakt waarin alle figuren die hij getekend heeft bij de oude meester langs komen. Donald Duck komt zeuren dat hij altijd halfbloot in een kinderblad verschijnt, Pluto maakt bezwaar tegen zijn domme karakter, enzovoort. Leuk idee. Paul Auster heeft met hetzelfde idee veel kritiek geoogst.

In Op reis in het scriptorium volgen we een dag uit het leven van de oude meneer Blanco. Hij is slecht ter been en lijdt aan geheugenverlies en bovendien zit hij min of meer gevangen in een kamertje zonder uitzicht. Om de seconde wordt een foto van de kamer gemaakt. Af en toe krijgt hij telefoontjes en zo nu en dan komt er iemand zijn kamer binnen om hem te helpen.
Van die mensen houdt meneer Blanco een lijstje bij. Anna, David Zimmer, Peter Stillman en James P. Flood, roepen bij de lezer herinneringen op. Het zijn namelijk personages uit het eerdere werk van Auster. Die boeken hoef je niet allemaal gelezen te hebben om de roman te kunnen begrijpen. Het wordt al snel duidelijk dat enkele personages meneer Blanco naar het leven staan en dat andere personages op de hand zijn van de schrijver. Vooral Anna is favoriet, alhoewel meneer Blanco zich schaamt dat hij haar in het verleden nare dingen heeft aangedaan. 'Dat hoeft helemaal niet. Weet u wat het is, meneer Blanco? Zonder u zou ik niemand zijn.'
Het moge duidelijk zijn: in meneer Blanco herkennen we de schrijver Paul Auster die tussen zijn eigen schepping is terechtgekomen. Dat is niet nieuw, want al in zijn eerste werk, De New York-trilogie, kwam een figuur voor die Auster heette en schrijver was.
Maar het wordt complexer. Bij wijze van therapie moet meneer Blanco een half manuscript dat op zijn tafel ligt lezen en proberen af te maken. Dat verhaal (een verkapte vorm van kritiek op het buitenlands beleid van de regering Bush) kent weer een hoofdpersoon. John Trause. Op de vraag of hij die man kent antwoordt meneer Blanco: 'Trause hm misschien wel. Hij schreef romans, nietwaar?' En met dat anagram worden de intertekstuele verwijzingen nog verder uitgebreid.
Brooklyn-dwaasheid, de vorige roman van Auster, was een redelijk normale psychologische roman. In deze korte roman ontbreekt die laag en is alles ondergeschikt gemaakt aan het literaire spel. Ingenieus opgezet, maar meer bedoeld voor mensen die houden van een constructie in plaats van een goed verhaal.

COEN PEPPELENBOS

PAUL AUSTER: Op reis in het scriptorium. Vertaald door Ton Heuvelmans. De Arbeiderspers, Amsterdam, 148 blz. € 17,95.

Eerder verschenen in de Leeuwarder Courant, 24 november 2006

woensdag 18 april 2007

Nieuws! Zingende dichter en meer

1 Op zijn weblog kun je nu luisteren naar een zingende Benne van der Velde, op z´n Herman van Veens.
2 De Woorddansers hebben een nieuw stadsgedicht voor Rotterdam, ´Stadsburger´. Luister hier.
3 Bernlef als schrijver van het Boekenweekgeschenk 2008 vind ik een gelukkige keuze. Naast dichter en romancier is Bernlef ook een goede schrijver van korte verhalen (Doorgaande reizigers is een prachtige, helaas weinig gelezen bundel). Je weet zeker dat er iets goeds gaat komen bij Bernlef.

zaterdag 14 april 2007

Recensie LC: Martin Amis - Nachthuis

In het kamp door de Amerika’s

In interviews heeft Martin Amis aangegeven dat hij nog nooit in Rusland is geweest. Toch heeft hij het aangedurfd om het leven van een man in een strafkamp in de Sovjet-Unie onder Stalin te beschrijven. Levert dat een overtuigende roman op?

De Russisch-Amerikaanse hoofdpersoon is een oude, narrige man. Hij maakt nog een keer een reis met een cruiseschip naar de plek waar hij vroeger gevangen zat. Hij schrijft zijn memoires op voor zijn Amerikaanse stiefdochter Venus (‘goed consumptiepatroon, royale ziekteverzekering, twee academische titels, buitenlandse reizen en vreemde talen, een gereguleerd gebit, psychotherapie, bezittingen en kapitaal’). Het is of hij ook ons aanschrijft: de westerse mens.
Het levensverhaal van de hoofdpersoon is gruwelijk. In de tweede wereldoorlog is hij ingezet als soldaat. Na de oorlog probeert hij zijn draai weer te vinden en wordt verliefd op het onbereikbare, bloedmooie meisje Zoja. Indirect komt hij ook door haar in een strafkamp terecht omdat hij volgens de aanklacht had gedweept met Amerika, terwijl hij alleen maar de borsten van Zoja ‘de Amerika’s’ bedoelde en die inderdaad ophemelde. Als zijn broer Lev in het kamp komt, blijkt dat deze inmiddels met Zoja is getrouwd. Dat zorgt voor een levenslange jaloezie.
Een groot deel van de roman gaat over de ontberingen binnen het kamp. De treiterijen, de ontberingen, de verveling, de onderlinge pikorde. Doordat Amis de liefdesgeschiedenis als centraal thema heeft genomen, blijft die beschrijving op afstand. Het is een gruwelijk decor, waartegen de psychologische ontwikkeling van de hoofdpersonen kan plaatsvinden. Want ondanks zijn afgunst is de hoofdpersoon toch geneigd zijn broer te steunen in het barbaarse regime van het strafkamp.
Wat beoogt Amis met deze roman? Er sijpelen af en toe actuele gebeurtenissen door in de memoires, die worden geschreven terwijl in Beslan een gijzeling van schoolkinderen plaatsvindt. Maar die verwijzingen zijn te dun om Nachthuis te zien als een waarschuwing tegen extremistische ideologieën.
Dat neemt overigens niet weg dat Amis virtuoos kan schrijven. Dat blijkt vooral in het tweede deel van de roman als de twee broers weer uit het kamp zijn en de herinneringen aan die tijd hun leven blijven beheersen. Ook de jaloezie blijft, met uiteindelijk noodlottige gevolgen voor Zoja.
Maar toch. Waarom kiest een moderne, Britse schrijver voor een tijd waarover Russische auteurs als Solzjenitsyn en Amalrik authentiekere boeken hebben geschreven? Die vraagt blijft hangen als je deze roman leest.

COEN PEPPELENBOS

MARTIN AMIS: Nachthuis. Vertaald door Jan Pieter van der Sterre. Contact, Amsterdam, 256 blz. €22,90.
Verscheen eerder in de Leeuwarder Courant, 13 april 2007

Buiten is het stil

Gerbrand Bakker behoort tot een van de weinige nog levende schrijvers die al een straatnaambordje heeft. (Gerrit Krol heeft al een hele brug, ook mooi.) Maar wat er allemaal niet in die straat gebeurt!

Dichtersvoetenspel 6

Om het wat makkelijker te maken: twee paar dichtersvoeten. Gemaaakt bij Blend, dus je kunt kiezen uit de deelnemerslijst. Van wie zijn onderstaande voeten?


De eigenaren van de voeten alsmede minnaars of minnaressen zijn uitgesloten van deelname aan deze volstrekt overbodige edoch zeer interessante wedstrijd zonder prijzen.

vrijdag 13 april 2007

Presentatie Friese jongens

Op vrijdagmiddag 20 april wordt de verhalenbundel Friese jongens van Doeke Sijens gepresenteerd. Friese jongens bevat alle verhalen uit Nei it lân fan palmerûzjen en zijn door de auteur zelf zijn vertaald. Daarnaast staan er enkele nieuwe verhalen in.

Om 16.00 uur begint de middag in de Wolters-Noordhoffzaal in de Openbare Bibliotheek, Oude Boteringestraat 18, te Groningen. Anton Brand zal Doeke Sijens interviewen en natuurlijk zal de auteur voorlezen uit zijn werk. Na afloop is er gelegenheid voor signeren.

Doeke Sijens [hoofd van de Openbaren Biblotheek Groningen] schreef naast de verhalenbundel Nei it lân fan palmerûzjen (Koperative Utjowerij) en een biografie over Reinder Brolsma (de eerste Friese schrijversbiografie) Sa'n tûzen blauwe skriften. Daarvoor kreeg hij de Fedde Schurerpriis. In 2004 nam hij afscheid van de Friese literatuur met de essaybundel Douwe Kalma yn piama. Met Coen Peppelenbos schreef hij de vrolijke gay-romans Tavenier en Harde actie. Met Han Steenbruggen stelt hij elk jaar het Ploeg-jaarboek samen.

Dichters bij Blend (foto's)

Wat Blend precies is, weet ik niet, maar we stonden gisteren in een tijdelijke winkel met die naam om gedichten voor te lezen. Alle optredens werden geregistreerd door Oog-radio en worden in de loop van het jaar uitgezonden.

Tout dichtend Groningen was uitgenodigd en zeker de helft kwam. Velen kende ik alleen maar van naam.


Bart FM Droog was er natuurlijk wel. Voor en na zijn optreden bekeek hij de trendy winkel minutieus. Op de volgende foto's bekijkt hij of het ding dat hij in handen heeft een hoed of een pan is.



Naast Jan Glas las ook Lupko Ellen voor in het Gronings.


Ook Paul Borggreve (met sjaal) las voor.


En debutant Emiel Matulewicz


De stadsdichter deed nogal aanhalig met een groupie.


En Sieger M.G. liet zijn optreedfotoalbumdichtbundel zien waaruit hij met verve voorlas.

Nieuw prinsesje heet Arie Haan

Ik hoorde het al op straat en vond de naam eerst wel erg vreemd, maar niettemin wil ik Maxima en de kroonprins feliciteren met hun kind Arie Haan.

In een tijd waarin de aandacht toch al teveel uitgaat naar Johan Cruijff moet het voor Arie Haan een opsteker zijn dat hij is vernoemd. Deze trouwe man op het veld, deze legendarische lange-afstand-schutter, krijgt eindelijk de eer die hem toekomt.
Nogmaals gefeliciteerd.

donderdag 12 april 2007

Nog meer Tsead Bruinja op YouTube

Bart FM Droog had vroeger bij Oog-tv een klein programmaatje waarin hij elke week een andere dichter aan het woord liet op een aparte locatie in Groningen. Tsead Bruinja heeft 'zijn' aflevering on-line gezet. Waarschijnlijk heeft hij de afgelopen weken veel van zijn videobanden gedigitaliseerd, want zijn YouTube-pagina is flink uitgebreid.

Een nieuw tellertje: bij nul beginnen

Kreeg steeds meer klachten over die ellendige pop-ups op mijn log. Die had ik te danken aan mijn Nedstat-tellertje (sinds kort Motigo-webstat geheten). Pop-ups die je niet kon wegklikken. Een nieuw tellertje neemt niet alle bezoekers mee van de vorige teller, dus hier voor mijn eigen statistieken de cijfers van de afgelopen jaren.



augustus 2005 569
september 2005 1.063
oktober 2005 985
november 2005 1.031
december 2005 898
januari 2006 960
februari 2006 942
maart 2006 1.255
april 2006 1.183
mei 2006 965
juni 2006 872
juli 2006 1.731
augustus 2006 1.242
september 2006 1.350
oktober 2006 1.462
november 2006 1.498
december 2006 1.495
januari 2007 2.849
februari 2007 1.941
maart 2007 2.786
april 2007 1.290
Totaal 28.367



2005 4.546
2006 14.955
2007 8.866
Totaal 28.367

Weg met Nedstattellertjes. We beginnen weer bij nul.

dinsdag 10 april 2007

Recensie LN: Menno Wigman - Het gesticht

Tussen de patiënten

Dichters en schrijvers krijgen vaak mooie plekken aangeboden om te komen schrijven. Een huisje bij zee, een verblijf in Canada of een plaats als writer in residence in de Verenigde Staten. Maar je hebt ook auteurs die drie maanden vrijwillig het gesticht in gaan. Zoals Menno Wigman.

Op het terrein van het gesticht in Den Dolder (bij Utrecht) staat een groot gebouw waar kunstenaars een paar maanden mogen verblijven. Wigman verbleef er in de drie maanden dat hij ook bezig was met het schrijven van de bundel voor gedichtendag 2006. Hij was niet de eerste dichter op het terrein, want ook Gerrit Achterberg zat er ooit, maar dan niet vrijwillig. (En passant ontdekt Wigman, in gesprekken met een historische club die op het terrein vergadert dat er in de biografie over Achterberg nogal wat foutjes voorkomen.)
De vorm die Wigman kiest voor dit boek zijn dagboekachtige fragmenten: notities, gedachten, kleine onderzoekjes. Dat maakt Het gesticht nogal fragmentarisch en gelukkig is dat een vorm waar ik van houd. Hij wil weten of patiënten die in het gesticht verblijven goede poëzie kunnen schrijven: zijn ze in staat tot verrassende beelden of interessante taalvondsten? Maar Wigman schrijft allesbehalve een voyeuristisch verslag over de prestaties van de bewoners. Hij is eerder terughoudend in zijn commentaar, voorzichtig in zijn oordelen.
Wigman springt van het ene onderwerp naar het andere: zijn jeugd, de dood (en de laatste woorden voor de dood in het bijzonder), ontmoetingen in het gesticht, aantekeningen over wat hij leest, herinneringen aan foto’s etc. etc. Naarmate de tijd in het boekje voorbijgaat, lijkt het boek steeds meer te gaan over zichzelf. Grof gezegd: op het einde van Het gesticht heb je niet meer te maken met een dichter die komt observeren, maar met een schrijver die zichzelf ter observatie geeft. De herinneringen aan zijn jeugd in Santpoort waar ook een gesticht stond, worden prangender. Hij beschrijft hoe hij twee keer heeft gezien wat er van iemand overblijft die zich voor de trein gooit. Hij beschrijft welke vrienden hij al verloren heeft en steeds meer lijkt hij zich de vraag te stellen: waarom ben ik nog geen patiënt? Op een van de laatste bladzijden schrijft hij zelfs letterlijk: ‘Hoe langer ik erover nadenk, hoe meer ik denk dat ook dichters stemmen horen.’ Gelukkig had Wigman de vrijheid om terug te keren naar de normale wereld.
Het gesticht zal zeker geen bestseller worden. Het grote publiek wil andere boeken lezen en dat mag. Maar wij als literatuurliefhebbers moeten het wel tot ons nemen. Je neemt namelijk ook een kijkje in de keuken van de dichter. Een aantal gedichten die Wigman schreef voor zijn gedichtendagbundel is direct traceerbaar na lezing van dit boekje. Ook dat wordingsproces is interessant om te lezen. Nu maar hopen dat de uitgever een vervolg laat schrijven.

Coen Peppelenbos
Menno Wigman: Het gesticht. Prometheus, Amsterdam, 104 blz. €18,90

Eerder gepubliceerd op Literair Nederland: 2 april 2007

maandag 9 april 2007

Brand Brand

(van uw bermbrandramptoerist)
Aanmerkelijke vertraging op weg naar Ede wegens bermbranden langs het spoor. Een kapotte goederentrein had met een vonkenregen kilometers brand gesticht. Mijn trein, die al een vertraging had van een kwartier reed stapvoets door de rookwolken. Later bleek het (voorlopig) de laatste trein te zijn die Ede gehaald heeft.








Vuur was het thema van de dag, want later die middag werden mijn neefjes en twee vriendjes 'opgebracht' door een man die ze had gesnapt bij het stoken van een fikkie in het bos. Het vuur greep iets te snel om zich heen en tenauwernood konden een paar mannen een bosbrand in Ede voorkomen. Mijn broer en ik met de kinderen terug naar de plek des onheils waar politie al was gearriveerd en een brandweerwagen. Deze keer kwamen ze er met een waarschuwing vanaf. De volgende keer wordt het bureau Halt.
's Avonds op de terugweg naar Groningen enkele paasvuren gezien. In de jaren zeventig (toen alles nog goed was) gingen we altijd kijken naar enorme paasvuren in mijn geboortedorp Raalte. Om het lekker te laten roken, gooide men vaak autobanden op het vuur. Dat is later allemaal verboden. Toch kun je nog wel eens heimwee hebben naar ongebreidelde milieuvervuiling en de stank van schroeiend rubber.