donderdag 19 april 2018

Column: De meerkoet

Meerkoet

Een auto-ongeluk krijgen staat bij weinig mensen op het verlanglijstje, maar het bizarre ongeluk dat een collega van mij kreeg, is zelfs nauwelijks voorstelbaar. Henk Wolf reed in een oude Jeep van een verjaardag uit Friesland naar Groningen toen er, dwars door de voorruit, een meerkoet in zijn oog vloog. Na veel operaties en een lange herstelperiode heeft hij op een wonderbaarlijke manier weer een paar procenten zicht in dat oog, maar als je hem vraagt: wil je minder of meer koet dan is zijn antwoord ‘minder’.

Het is waarschijnlijk aan deze gebeurtenis te danken dat ik sinds die tijd met andere ogen naar meerkoeten kijk. Het is niet meer het lieftallige watervogeltje dat in de categorie niet-eend valt, het is ook nog eens potentieel moordwapen. In de vijver op het Van Brakelplein zwemmen veel meerkoeten en wie wel eens de moeite neemt om daar vijf minuten naar te kijken ontdekt dat het ontiegelijk agressieve rotbeesten zijn die de hele tijd bezig zijn om andere meerkoeten en watervogels achterna te zitten. En dat gaat gepaard met een hoop schel gekrijs en daar wil ik het eigenlijk over hebben.

Sinds een jaar ben ik erachter gekomen dat ik misofoon ben. Dat betekent dat ik niet tegen bepaalde geluiden kan. Ik ben al mijn hele leven misofoon, maar pas als je weet dat er een naam voor is, ben je iets gerustgestelder omdat je weet waar al die onrust vandaan komt. Sterker nog: ik kan zo agressief als een meerkoet worden als ik mensen een appel hoor eten, of een wortel of chips. Geluiden van bepaalde dieren horen daar ook bij. Katten geen probleem, duiven: alles slaat op tilt. Dat gekoer onderuit de krop haalt me het bloed onder de nagels vandaan. En dan zul je net zien dat ze een nest onder de dakpannen gaan maken, daar waar jij slaapt. Ik heb vanuit mijn dakraam bleekwater en andere giftige sappen in de dakgoot gespoten, maar elke keer hoorde je weer dat licht kokhalzende duivengeluid onder de pannen. Niets hielp, totdat er een keer een buurtkat over het dak liep, ik een hoop machteloos gefladder hoorde en daarna een weldadige stilte. Nee, katten zijn mijn vrienden.

Nu hoor ik ’s nachts die meerkoeten, dat continue gejaag achter soortgenoten aan. Je hoopte dat de late winterkou ze allemaal zou invriezen, maar slechts de helft van de vijver werd een ijsbaan. Je hoopt dat die eenzame reiger terugkomt, die reiger die ’s ochtends uit het niets kwam aanvliegen en ’s avonds met een schreeuw de vijver weer verliet, en dat die reiger verzot is op meerkoetkuikens.

En dan zul je zien dat daarna die brulkikkers weer beginnen te concerteren.

(Eerder verschenen in het buurtmagazine van de Zeeheldenbuurt: Ahoy!)

Geen opmerkingen: