hij hem

hij hem
Nu in de winkel
Posts tonen met het label recensie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label recensie. Alle posts tonen

zondag 14 september 2008

Recensie LC: Robbert Welagen - Philippes middagen

Tussen de regels

Stel je voor: je ontmoet je vader pas als adolescent. Tot die tijd heeft je moeder niets over hem losgelaten. Twee middagen trek je met je vader op. Daarna komt hij om bij een auto-ongeluk. In hoeverre heb je dan je vader gekend? Hoewel het onderwerp erom schreeuwt laat Robbert Welgraven na verder te psychologiseren op die vraag in Philippes middagen.

Deze novelle lijkt op het debuut van Welagen, Lipari, waarin de hoofdpersoon uren zit te verdoen aan de rand van het zwembad in de buurt van een intrigerend stel. Ook nu wordt er weer veel gewacht en tijd vermorst en de hoofdpersoon Robbert leidt een redelijk initiatiefloos leven. Alles lijkt hem te overkomen. Zo kijkt hij in het huis dat zijn vriendin tijdelijk bewoont naar buiten en aan de overkant ziet hij een vrouw die herinneringen naar boven brengt aan twaalf jaar geleden. Robbert is dan vijftien jaar en woont met zijn niet ongeïnteresseerde moeder vlakbij een tennisbaan. Daar oefent Robbert wel eens. Op een dag maakt hij kennis met een oudere man, Philippe, die zegt dat hij zijn vader is. Hij heeft zelfs papieren bij zich om het te bewijzen. Ze gaan een potje tennissen, gaan een eindje rijden en drinken wat bij de vriendin van zijn vader. Heel gewoon. Alleen uit het feit dat Robbert ervan droomt onderdeel uit te maken van dit nieuwe gezin blijkt dat er iets wezenlijks is gebeurd. Dan volgt er nog één middag waarop Robbert met zijn vader een eindje rijdt naar een huis van vrienden waarop gepast moet worden. Dat zijn Philippes middagen.
Daar valt natuurlijk een groot psychologisch drama van te maken, maar Welagen doet dat nauwelijks. Het lijkt alsof alle actie zit in de achteloze dingen. ‘Bij een kruispunt stonden we voor een rood stoplicht. Het licht sprong op groen, maar Philippe merkte dat niet. Toen hij opkeek was het alweer rood geworden. Pas toen het licht voor de tweede keer op groen sprong reed hij verder.’ Het zijn zinnen van niks en toch gebeurt er tussen de regels heel veel. En zo weet Welagen een enorme spanning op te bouwen met zaken die hij nauwelijks benoemt. Alleen al van de beschreven huizen, allemaal deels verlaten en wachtend op permanente bewoning gaat een grote dreiging en melancholie uit. Welagen schrijft niet voor een massapubliek, maar de literaire fijnproever komt geheel aan zijn trekken.

COEN PEPPELENBOS

ROBBERT WELAGEN: Philippes middagen. Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam, 128 blz. (geb.), €16,50.
Eerder verschenen in de Leeuwarder Courant, 29 augustus 2008

dinsdag 26 augustus 2008

Recensie LN: Paul Auster - Man in het duister

Slapeloze nachten

Het is een beetje een treurig huis waar August Brill is ingetrokken na een zwaar verkeersongeluk. Zijn dochter heeft hem dan wel naar haar toe gehaald, maar meer om haar eigen eenzaamheid te verdrijven. August vrouw is overleden, de man van zijn dochter Miriam is al vijf jaar weg en de voormalige vriend Titus van zijn kleindochter Katya is dood. Geen wonder dat August niet in slaap kan komen. In plaats daarvan bedenkt de oud-criticus, hoofdpersoon van Man in het duister verhalen.

En de liefhebber van Paul Auster, waartoe ik mezelf reken, zal het niet verbazen dat er daarna een verhaal in een verhaal begint, waarin een het personage Owen Brick in een parallel Amerika is terechtgekomen waar geen 9/11 heeft plaatsgevonden, maar waar wel een burgeroorlog woedt en om een eind aan de verschrikkingen te maken moet Owen de bedenker van die fictieve wereld doden. August Brill dus.
Dat heeft Auster wel vaker gedaan: personages die de macht overnemen van de schrijver. Zijn laatste roman Op reis in het scriptorium is er een voorbeeld van. Het lijkt dus een beetje op een herhalingsoefening waarin Auster voor de zoveelste keer met fictie en werkelijkheid aan het spelen is.
Maar dan weet Auster je toch weer te verrassen. Geen postmoderne spelletjes deze keer. De werkelijkheid komt hard binnen als August Brill in de nacht met zijn even slapeloze kleindochter praat over zijn overleden geliefde. En je krijgt echt een vuistslag als je weet hoe Titus, gedumpt door Katya, is omgekomen in Irak. En dan krijg je het als lezer wat kouder omdat je weet dat al die verhalen, al die fictie in films en romans, niet bestand zijn tegen de werkelijkheid waarin mensen doodgaan op de meest gruwelijke wijze. Man in het duister is opgedragen aan de schrijver David Grossman, die zijn zoon, die soldaat was, verloor. Daar zou geen loflied op de fictie achter passen. Een prachtige roman.

Coen Peppelenbos

PAUL AUSTER: Man in het duister. Vertaling Ton Heuvelmans. Arbeiderspers, Amsterdam, 196 blz, €19,95
Eerder verschenen op Literair Nederland, 16 augustus 2008

maandag 4 augustus 2008

Recensie LC Rupert Thomson - Dood van een moordenares

Een nacht in het mortuarium

Het is niet het leukste klusje dat je kunt bedenken: een nacht waken in het mortuarium bij het lijk van een moordenares. Politieagent Billy Tyler krijgt de opdracht en doet zijn plicht, hoewel zijn vrouw hem uit alle macht probeert te overreden niet zo dicht bij zo’n slechte vrouw te gaan zitten. De Brit Rupert Thomson stelt in Dood van een moordenares aan de orde wat goed en kwaad is.

Vooraf zou je nooit kunnen denken dat een roman over een nacht in het mortuarium heel erg spannend zou kunnen zijn. Iemand die wacht tot zijn tijd erop zit in een vrij koude ruimte waar verder weinig leven is. Af en toe komt er een collega langs of iemand van de verpleging en dan worden er cynische grappen gemaakt, maar voor de rest zit Billy vooral opgesloten met zichzelf.
Wat is het kwaad eigenlijk? Dat is in ieder geval niet het monster dat de media hebben gecreëerd van de vrouw die verschillende kinderen heeft vermoord. Ze komt als geestesverschijning nog wel een paar keer opduiken bij Billy, maar haar kant van het verhaal horen we slechts zijdelings. Thomson kiest niet voor de voor de hand liggende weg om de dader te vermenselijken: hij kiest voor het tegenovergestelde. Door in het hoofd te kruipen van Billy Tyler kom je te weten hoe dun de scheidslijn is tussen een crimineel of een agent.
De nacht is bij uitstek geschikt voor Billy om over zijn eigen jeugd na te denken en het kattenkwaad dat ooit uit de hand liep. Of hij denkt aan zijn vrouw en hun enige kind: een mongoloïde dochter die haar ouders soms tot waanzin drijft. Of aan zijn schoonvader die hij met gemak had kunnen en willen vermoorden. En toch wordt de ene mens wel een moordenaar en de ander niet. Gelukkig geeft de schrijver geen eenduidig antwoord op de vraag hoe dat komt. Dat zou afbreuk doen aan de complexiteit van het menselijk handelen. Hoe complex dat is, blijkt wel aan het eind waarin sterk de suggestie wordt gewekt dat ook Billy Tyler een dode op zijn geweten heeft. Toch blijf je nog steeds sympathie voelen voor deze gewone agent. Daar sta je dan te kijken als lezer met je morele oordelen. Want die agent had ook jij kunnen zijn.

COEN PEPPELENBOS

RUPERT THOMSON: Dood van een moordenares. Meulenhoff, Amsterdam, 271 blz. €19,90.
Eerder verschenen in de Leeuwarder Courant, 1 augustus 2008.

zaterdag 5 juli 2008

Recensie LC: Leon de Winter - Het recht op terugkeer

Kiezen voor mededogen

In 2024 is Poetin nog steeds aan de macht in Rusland. Dat blijkt uit Het recht op terugkeer van Leon de Winter. Een in Israël wonende jood van Russische afkomst weet waarom het zo slecht gaat met Israël: ‘Leren van Vladimir Vladimirovitsj Poetin! Hij tweeënzeventig. Grote leider. Hij macht weten. Acht jaar president, vier jaar premier. Toen: acht jaar president, vier jaar premier. Nu weer president.’

De joden kunnen nog veel van Poetin leren, aldus de Rus. Leon de Winter laat van de staat Israël niet zo veel meer over in 2024. Jeruzalem behoort aan de Palestijnen en de joden zijn voor een groot deel gevlucht naar rijke landen in Europa, zoals het florerende Polen. In het kleine stukje Israël dat is overgebleven wonen de armen, de doorzetters en de mensen die geen uitreisvisum kregen. Onder hen ook Bram Mannheim, die met een collega een bureautje beheert dat gespecialiseerd is in het lokaliseren van verdwenen kinderen. Dat doet hij niet zomaar, want in 2008 is zijn eigen zoon verdwenen.
De periode tot aan de verdwijning van zijn zoontje is het meest aangrijpend. Bram Mannheim woont tijdelijk in Amerika waar hij een baan heeft aangenomen op de universiteit van Princeton. Je weet dat zijn zoontje op een gegeven ogenblik uit Brams leven wordt weggehaald en dat verhoogt de spanning in het begin van het boek dat nog vrij realistisch in onze tijd speelt.
De hoofdstukken daarna zijn alleen al doordat ze in een fictieve toekomst spelen speculatiever en daardoor minder dreigend. Bram Mannheim draait door, zijn vrouw verlaat hem en uiteindelijk wordt Bram door zijn nog geleerdere vader naar Israël teruggehaald waar hij weer langzaam tot zichzelf komt en zijn verdriet kan verwerken.
De Winter weet het literaire spel knap te spelen. ‘Het recht op terugkeer’ gaat voor een deel over familieverhoudingen, vader-zoonrelaties en verliefdheden. Maar het gaat ook over politiek: de manier waarop de staat Israël zich zou moeten verhouden tot de buren. Keihard terugslaan en niet van dat halfzachte vredesgedoe is het devies. En niet in de laatste plaats is dit ook een spannende detective. Wordt de zoon van Bram teruggevonden? Het is de verdienste van De Winter dat hij al deze verhaallijnen aan elkaar kan knopen zonder ongeloofwaardig te worden.
Leon de Winter heeft enige tijd geleden zijn pen als rechtse columnist voor Elsevier neergelegd. Deze roman met de vreselijk prozaïsche titel toont aan dat hij zijn politieke ideeën over bijvoorbeeld de radicale islam nog steeds kwijt kan.
Toch is hij aangenamer op het kleine vlak: als hij schrijft over de gevoelens tussen gezinsleden, collega’s en geliefden. Alle harde politieke taal verdwijnt als Bram een moeder moet troosten van wie het kind is doodgegaan. Geen enkele ideologie klinkt meer door in het verdriet van een wanhopige vader die zijn zoon zoekt op onmogelijke plekken. Daar zien we een schrijver die kiest voor het mededogen. Daar is hij op zijn best.

COEN PEPPELENBOS

LEON DE WINTER: Het recht op terugkeer. De Bezige Bij, Amsterdam, 462 blz. €19,90
Eerder verschenen in de Leeuwarder Courant, 4 juli 2008.

dinsdag 10 juni 2008

Recensie LC Jaap Scholten: De wet van Spengler

Het paradijs is voorbij

‘Zo he’j ze nich volle meer,’ zegt iemand in Twente over de net aan kanker overleden Julius. Frederik, zijn jongere broer hoort het aan. Hij is de schrijver van die familie en is het alter ego van Jaap Scholten die De wet van Spengler aan zijn overleden oudste broer heeft opgedragen. Een ode aan een man zoals er niet veel meer zijn.

Een veelschrijver kun je Scholten niet noemen. Zijn vorige roman, Morgenster, verscheen in 2000 en zijn prachtige romandebuut Tachtig vijf jaar daarvoor. En nu is daar dan De wet van Spengler waarover de verwachtingen hoog gespannen waren omdat het boek zou aansluiten bij Tachtig. Het decor is voor een deel hetzelfde. De excentrieke familie van rijke textielbaronnen verschijnt weer ten tonele. In het eerste deel zijn de vader en moeder van Frederik net verhuisd naar België. Als de vader zelfmoord pleegt, worden de broers teruggestuurd naar Twente, waar de grootouders een tijdje voor hen gaan zorgen. Hier merk je de afstand die Scholten tot de materie heeft. De begrafenis van vader wordt in twee bladzijden afgedaan; belangrijker is de luxueuze wereld die voor de broers open gaat in Twente. Alsof ze het paradijs binnentreden: de vrijheid van een enorm huis, de eerste tekenlessen van Frederik, een landgoed om ongestoord te spelen. Als Frederik een keer met golf een ruit breekt, komt grootvader alleen naar buiten om te zeggen dat het een 'nice shot' was.
Dan komt er een tijdsprong van meer dan dertig jaar en gaat het voornamelijk over Julius en de ziekte die hem sloopt. De afstand in tijd bestaat niet meer. Uit interviews blijkt dat Scholten deze roman in een klein jaar heeft geschreven, direct na de dood van zijn broer. Scholten verbleef in Hongarije (waar hij tegenwoordig woont), zijn hoofdpersoon Frederik is verhuisd naar Roemenië. De broers wonen allemaal ver van elkaar, maar de ziekte van Julius dwingt hen om terug te gaan naar Twente waar Julius op de grond van zijn voorouders is gaan wonen.
Je komt mooie Scholtenzinnen tegen: 'Alle mannelijke sterfgevallen die ik in de familie had meegemaakt waren gewelddadig, dat wil zeggen ongelukken of suïcides. Doodgaan was iets wat je deed, niet wat je overkwam. In onze familie belandde er geen gaaf lichaam in de kist.' Maar naarmate het boek vordert, verandert ook de taal. De aankomst van de lijkkist van Julius levert een rijtje clichés op: 'Mijn benen werden slap. Mijn maag kromp samen. Alsof er een mes in me gestoken werd. Ik balde mijn vuisten, maar het was niet tegen te houden.' Niet mooi. Hier verliest de mens Scholten het van de schrijver Scholten. Misschien is dat wel goed: deze dood is nog te rauw om er literatuur van te maken.
De mannelijke leden van de familie geven op het eind van de roman met hun jachtgeweer nog een gezamenlijk eresaluut. De broers zijn bij elkaar, voor het laatst. Het paradijs is voorbij. De wet van Spengler is een ontroerend en aangrijpend boek. Hopelijk hoeven we niet opnieuw acht jaar te wachten en is er niet weer een akelige aanleiding nodig om Scholten tot schrijven te brengen.

COEN PEPPELENBOS

JAAP SCHOLTEN: De wet van Spengler. Contact, Amsterdam, 271 blz. €19,95

zondag 11 mei 2008

Recensie LC: Rascha Peper - Vingers van marsepein

De geur van ontbindend vlees

Op het omslag van Vingers van marsepein staat een foto van een armpje gestoken in een mooi kanten kleedje. Aan de vingers hangt iets onduidelijk vlezigs. Je bent al een heel eind in het boek als je erachter komt dat dit het geprepareerde armpje is van een meisje en dat aan haar vingers twee oogleden bungelen. Maker van dit lugubere beeld is Frederik Ruysch, iemand die tegenwoordig alleen nog maar voorkomt in straatnamen, maar die in het begin van de achttiende eeuw als een van de belangrijkste anatomen bekend stond. Tsaar Peter de Grote kocht een groot deel van de collectie zelfs op en verscheepte alles naar Rusland.

Rascha Peper vertelt het verhaal van deze belangrijke geleerde aan de hand van de negenjarige Bregtje die als nichtje in het huisgezin is opgenomen nadat haar familie aan de hete koorts is bezweken. Bregtje denkt echter dat haar iets oudere broer elders leeft en dat geeft een concurrerende anatoom de gelegenheid om haar te chanteren. In ruil voor informatie over de preparaten van haar oom en het geheime procédé dat hij gebruikt, wordt zogenaamd geprobeerd om haar broer naar de stad te halen. Die spanningsboog kan Peper gebruiken om allerlei smeuïge details over het ontleden van misdadigers die gehangen zijn en het prepareren van een neushoorn in het boek op te nemen. Je ruikt de geur van ontbindend vlees en tegelijkertijd raak je, net als Bregtje, gefascineerd door de precisie waarmee Ruysch te werk ging.

De avonturen van Bregtje worden afgewisseld met de belevenissen van Ben, een jongen van gescheiden ouders. Zijn moeder heeft nooit het verlies van een dochtertje verwerkt. Zijn vader heeft een nieuwe vriendin en met hen gaat Ben op vakantie naar Petersburg waar hij natuurlijk ook de preparaten van Ruysch tegenkomt en daarin is hij hevig geïnteresseerd. Die afwisseling van verhaallijnen gebruikt Peper wel vaker in haar romans, zoals bijvoorbeeld in Russisch Blauw. De historische lijn komt nu het beste uit de verf. De spanning wordt daar goed opgebouwd, terwijl de spanning in het heden meer op psychologisch vlak ligt: Ben wordt op school gepest en moet meer voor zichzelf op te komen. Liever zit hij met zijn neus in de boeken. Dat de vriendin van zijn vader zwanger is, lijkt hij niet eens op te merken.

Twee kinderen, allebei op de proef gesteld door hun omgeving, allebei nog jong genoeg om zich te verliezen in kinderfantasieën, maar al oud genoeg om weet te hebben van de keiharde realiteit van het leven. Je bent bang dat in beide verhalen er een gruwelijk einde zal volgen na al die bladzijden over incisies, geheime vloeistoffen en lichaamsdelen in stopflessen, maar gelukkig kon Peper die verleiding weerstaan. Dat maakt deze roman ook voor mensen die altijd wegkijken bij medische tv-programma’s zeer de moeite waard.

COEN PEPPELENBOS

RASCHA PEPER: Vingers van marsepein. Nieuw Amsterdam, Amsterdam, 317 blz. €18,50
eerder gepubliceerd in de Leeuwarder Courant op 9 mei 2008.

vrijdag 9 mei 2008

Recensie LC: Martin Hendriksma - Familievlees

Worst uit Drenthe

De plattelandsroman is helemaal in. Nadat trendsetter Gerbrand Bakker met ‘Boven is het stil’ terecht veel waardering ontving, brengt iedere uitgever een eigen rurale roman uit. Ook de debuutroman Familievlees van de in Sneek geboren Martin Hendriksma hoort in dit genre thuis.

Hoofdpersonen zijn vader Harmen Barels en zijn tweelingzonen Warmont en Victor. Het verhaal begint in 1902 en eindigt in de jaren zeventig van de vorige eeuw en in die tijd maken we de opkomst en neergang van een familiebedrijf mee. De jonge Barels komt uit Drenthe en blijft hangen in Hindeloopen waar hij werk vindt en zijn toekomstige vrouw. Wat doen ze op zijn verjaardag: ‘allemaal nipten ze in de achtertuin van de zelfgestookte Berenburg.’ Na een noodlottig ongeluk waarbij hij een paar vingers verliest, gaat Harmen met zijn vrouw terug naar Drenthe om daar zijn geluk te beproeven. Hij komt bij een varkenshandelaar, maar al snel is hij eigen baas. Hij bouwt zelfs een slachterij en vanaf dat moment is Harmen een man van aanzien in het dorp. Af en toe komen de heit en mem van zijn vrouw nog uit Friesland over. ‘Hartstochtelijk snoof ze de geur van hazelnoten en anijs op uit het meegebrachte presentje: de trommel met Friese duumkes.’
Maar vader Harmen wordt ouder en de extraverte Warmont mag op een gegeven ogenblik de vleesfabriek overnemen, tot geluk van de introverte boekenwurm Victor. Hendriksma neemt dan grote stappen: gerommel in de tweede wereldoorlog wordt vluchtig beschreven. De grote concurrent de ‘Leverunie’ laat Warmont vermoorden, Victor komt tegen zijn zin aan het roer van de onderneming. Het gaat slechter met de fabriek met de lekkerste worst. Het leest lekker weg, maar nergens wordt het verhaal spannend of verrassend. Dat komt omdat geen enkele verhaallijn een echt dwingende noodzaak heeft.
Thomas Rosenboom zou een van de hoofdpersonen een karaktereigenschap meegeven waardoor je bij elke handeling op het puntje van je stoel zit, Hendriksma handelt de zaken een voor een af. Pas helemaal op het einde van de roman komt er een aparte wending, als Victor op de plaats van de failliete fabriek een enorme toeristische berg creëert in het Drentse landschap. Maar die verrassing komt te laat en wordt op een te snelle manier uitgewerkt. Ook stilistisch valt de vergelijking met collega’s Rosenboom en Bakker in het nadeel van Hendriksma uit: nergens vind je een mooi geformuleerde zin. In zijn tweede roman moet hij maar bewijzen dat hij van een plattelandsroman ook literatuur kan maken.

Coen Peppelenbos

MARTIN HENDRIKSMA: Familievlees. De Geus, Breda, 384 blz. €21,50
Eerder gepubliceerd in de Leeuwarder Courant, 28 maart 2008

vrijdag 28 maart 2008

Recensie LC: Jeroen Thijssen - Broeder

De Griezelbus voor volwassenen

In de negentiende eeuw wist men nog hoe je een echte ‘gothic roman’ moest schrijven. Je zet de hoofdpersonen in een ver, verlaten oord en laat het dan spoken. Jeroen Thijssen doet hetzelfde in Broeder, maar bij hem loopt het verhaal enigszins uit de rails.

Deze debuutroman begint nog gewoon met een doorsnee gezin dat in Haarlem woont. Vader, moeder en twee broers: Boudewijn en Bastiaan. Die eerste bladzijden zijn veelbelovend. De buurman heeft opeens een bok gekocht en je weet al vrij snel dat het met die bok niet goed af gaat lopen als Boudewijn er zijn zinnen op heeft gezet. Als het beestje zonder kop bij de spoorlijn gevonden wordt, kijk je niet raar op als de schedel later terug te vinden is in de slaapkamer van Boudewijn. Suspense in de polder.
Maar daarbij blijft het niet. Door de ogen van Bastiaan zie je dat Boudewijn steeds meer ontspoort, rare seances houdt zijn slaapkamer en zo af en toe iets offert. Die toenemende spanning is nog goed gedoseerd, maar op een gegeven ogenblik verdwijnt Boudewijn helemaal. Daar ontspoort het verhaal ook.
Inmiddels zijn we al wat jaren en huiselijke rampen (het huis is in vlammen opgegaan en moeder ook) verder. Bastiaan gaat zijn broer opsporen in het wat mythische stadje Ingen. Daar haalt Thijssen alle griezelelementen uit de kast. Een afgelegen huis buiten het stadje in de donkere bossen is het tijdelijk hotel van Bastiaan en de onheilspellende man Vieri die Bastiaan vergezelt. Een al te aardige weduwe zwaait er de scepter. Er is een geheim gangenstelsel van het huis naar Ingen. In de vrieskist van het huis ligt een dode man. De weduwe bewaart twee kinderlijkjes op sterk water. Kortom: we zijn opeens beland in de volwassen versie van De Griezelbus.
Ook in de stijl laat Thijssen zich gaan. Zo komt in zijn beeldspraak de halve dierentuin voorbij. Medepassagiers lijken op ‘wolven’, reizigers die uit de trein stappen zijn ‘rennend vee’, Vieri heeft een roofvogelgezicht, een vrouw geeft een hand 'als een vogelklauw'. Voeg daarbij een ongeloofwaardig slot waarbij alle familiebanden opeens totaal anders zijn dan ze eerst leken en je kunt de conclusie trekken dat deze roman weinig met literatuur te maken heeft. Dat is jammer, want het begin van Broeder toont aan dat de auteur meer kan dan hij nu laat zien.

Coen Peppelenbos

JEROEN THIJSSEN: Broeder. Nieuw Amsterdam, Amsterdam, 255 blz. €17,50
Eerder gepubliceerd in de Leeuwarder Courant, 21 maart 2008.

dinsdag 11 maart 2008

Recensie LN: Bernlef - De pianoman

Iemand die zwijgt, is verdacht

Het begin van het Boekenweekgeschenk De pianoman van Bernlef is een beetje clichématig voor wie in het noorden van het land woont. De mensen zijn daar nogal stug en zwijgzaam. Zeker de vader en moeder van Thomas Boender, die pas op zijn vierde zijn eerste woordjes zegt: ‘Honger. Koek.’ Zijn ontwikkeling blijft nogal achter en de uit de Randstad afkomstige juf Jenny Vreeland ontfermt zich over hem. Bij haar leert hij pianospelen en hij leert om niet over zichzelf te praten in de derde persoon. Hij leert ‘ik’ zeggen.

Licht autistisch dat kind, zou je als nuchtere diagnose kunnen stellen. Maar bij Bernlef leven de personages op als er juist iets met ze is. De meeste mensen kennen wel het boek Hersenschimmen, waarin de hoofdpersoon langzamerhand zijn geheugen kwijtraakt, maar dit geschenk doet vooral denken aan Boy, waarin een doofstomme jongen een hoofdrol speelt en De onzichtbare jongen waarin een van de personages eerst de unieke gave bezit om alles te onthouden (en ook zomaar kan pianospelen nadat hij het één keer gezien heeft) en uiteindelijk gek wordt.

Thomas weet dat hij als zwijgzame buiten de groep staat, ook later als hij verplicht moet werken van zijn vader, en hij weet ook al vroeg dat hij anders dan anderen is door zijn seksuele geaardheid. Uiteindelijk besluit hij met wat opgespaard geld de wereld in te trekken en via Amsterdam waar hij een meisje ontmoet dat een levend standbeeld speelt, gaan ze samen naar Parijs en nog veel later trekt hij met haar verder naar Engeland waar hij alleen en berooid achterblijft. Vanaf dat moment zwijgt hij.

En opeens herinner je je weer dat vreemde krantenbericht van een paar jaar geleden: een onbekende, zwijgende man was opgenomen in een Britse inrichting en het enige wat hij deed om te communiceren was pianospelen. Zo gaat het in De pianoman ook verder en dat is licht teleurstellend omdat het verhaal zo dicht bij de werkelijkheid blijft. Of misschien moet dat anders worden geformuleerd: je wordt als lezer uit de fictie getrokken door die oude krantenberichten.

Bernlef heeft een intrigerend geval genomen dat de publiciteit heeft gehaald en daar zijn eigen verhaal aan gekoppeld. Hij maakt inzichtelijk waarom iemand besluit te zwijgen. Daar heeft hij geen trucs bij nodig: zijn stijl is zoals altijd sober en onopgesmukt. Tussen de regels door ontwikkelen de karakters zich, haast terloops. Dat levert geen literair vuurwerk op, maar de romans en verhalen van Bernlef zitten vaak knapper in elkaar dan men bij eerste lezing denkt.

Bij deze schrijver zie je meestal meer dan alleen de ontwikkeling van de hoofdpersoon: je ziet ook hoe anderen reageren op iemand die afwijkt van de groep. In die zin is De pianoman ook interessant, want blijkbaar verklaren wij iemand die niet reageert op woorden bij voorbaat voor gek. Iemand die zwijgt, is verdacht. Dat zegt iets over de macht die woorden hebben in maatschappij die bol staat van de communicatie. Een mooi geschenk derhalve.

Coen Peppelenbos

BERNLEF: De pianoman. CPNB, 92 blz. Bij besteding van €11,50 gratis verkrijgbaar in de boekhandel tijdens de Boekenweek.
Eerder verschenen op Literair Nederland, 10 maart 2008

zaterdag 8 maart 2008

Recensie LC: J.M. Coetzee - Als een vrouw ouder wordt

Bij God op bezoek

Dat er een nieuw boek van Coetzee uitkomt is altijd toe te juichen. Voor de Boekenweek verschijnt Als een vrouw ouder wordt. De uitgeverij bericht op de achterflap: ‘Speciaal voor Nederland en Vlaanderen gaf J.M. Coetzee toestemming voor deze eenmalige, exclusieve uitgave.’ Bij nadere beschouwing is dit boek niet zo exclusief: de eerste dertig bladzijden verschenen eerder in The New York Review of Books en de overige vijftig bladzijden is het laatste deel uit de vijf jaar geleden verschenen roman Elisabeth Costello.

Thematisch sluiten de verhalen bij elkaar aan. In het eerste deel gaat de Australische schrijfster Elisabeth Costello op bezoek bij haar dochter in Nice. Haar zoon uit Amerika komt, op doorreis, ook even langs. Elisabeth verwacht dat haar kinderen met een voorstel voor hun oude moeder komen. En inderdaad: zowel haar dochter als zoon vragen haar uit Australië te vertrekken en bij hen in huis te komen. Resoluut wijst ze de voorstellen af.
Ze beseft dat ze dingen zegt die ze vroeger nooit zou zeggen. ‘Waar-gaat-het-heen-met-de-wereld-dingen.’ Ze weet dat haar stemming nogal neerslachtig is alsof haar leven ‘van begin tot eind een misvatting’ is. Ze weet dat snel dood zal gaan, want als het gesprek even op God komt zegt Elisabeth: ‘Zeg dat ik een dezer dagen langskom.’ En toch wil ze zelfstandig blijven.
In het tweede deel komt Elisabeth Costello bij een soort hemelpoort. Om aan de andere kant te komen moet ze eerst voor een rechtbank haar geloofsverklaring verdedigen. Voor de schrijfster is het een heidens karwei om daar een zinvolle invulling aan te geven, om zonder retoriek, literaire spelletjes of cynisme aan te kunnen geven waarin ze gelooft.
Elisabeth Costello is het alter ego van Coetzee, die sinds enkele jaren in Australië woont. Je voelt dat de vragen die Costello zich stelt, de kwesties zijn waarmee Coetzee worstelt. Net als in zijn vorig jaar uitgekomen Dagboek van een slecht jaar gaat het om de grote vragen in het leven: welke zin heeft het gehad en op grond waarvan denk je aan de andere kant van de poort te kunnen komen? Dit is de bittere ernst waarin de Nobelprijswinnaar steeds meer verstrikt raakt. Hoe mooi en goed geschreven zijn werk ook is: je zou hem graag de naïviteit wensen om eens een keer een komisch boek te schrijven.

Coen Peppelenbos

J.M. COETZEE: Als een vrouw ouder wordt. Vertaald door Peter Bergsma. Cossee, Amsterdam, 91 blz. €14,90
Verscheen eerder op 7 februari in de Leeuwarder Courant.

maandag 3 maart 2008

Recensie LC: Doeschka Meijsing - Over de liefde

Het broodnodige overbodige

Je houdt je hart vast als je Doeschka Meijsing op radio en televisie hoort praten over haar roman Over de liefde. Die gaat namelijk over de depressie waar de hoofdpersoon Pip in terechtkomt nadat haar vriendin Jula haar verlaten heeft voor een man. Meijsing steekt niet onder stoelen of banken dat haar relatie met Xandra Schutte model heeft gestaan voor dit verhaal.

De vrees dat dit een afrekening wordt binnen het lesbische milieu is niet terecht. Natuurlijk krijgt de nieuwe minnaar de nodige sneren en probeert Pip Jula uit haar omgeving te bannen, een bizar ongeluk gooit echter roet in het eten. Een vrachtwagen dreigt twee vrouwen op het trottoir te overrijden en door een ferme duik weet Pip een reddingsactie uit te voeren en zichzelf te verwonden. Daardoor raakt ze afhankelijk van haar vrienden en haar ex die over haar komt moederen.
De roman wordt vanaf dat moment ook op een hoger niveau getild, want Pip kijkt terug op haar drie grote relaties en op de eerste grote, onbereikbare liefde in haar leven: Buri Vermeer de gymjuffrouw op de katholieke meisjesschool. Zij is een van de dames die ze met haar duik het leven redt. Met haar drie broers (met Geerten Meijsing herkenbaar als jongste) keert ze ook letterlijk terug in de tijd. Ze gaan namelijk naar het vakantiehuisje van hun jeugd in Italië om na de dood van hun vader orde op zaken te stellen.
Al eerder heeft Meijsing semiautobiografische romans geschreven waarin haar eerste liefde en haar familieleden voorkomen, maar deze keer lijkt de noodzaak voor het boek urgenter te zijn dan voorheen. Schaamte is een terugkerend element in het boek: de schaamte om achtergelaten te worden, om ingeruild te worden voor een man. Die schaamte moet ongedaan gemaakt worden en dat kan alleen door na te denken over wie je bent en waar je vandaan komt en door onder woorden te brengen waardoor die relaties zijn stukgelopen.
Meijsing creëerde daarvoor Pip, die zich morrend en grommend door het leven slaat. Een aandoenlijk horkje dat vrienden schoffeert, haar broers kan manipuleren en in de loop van het boek nogal boude uitspraken doet onder meer over het homohuwelijk waarin een echo te horen is van Kellendonks Mystiek lichaam. ‘Maar waarom liep het altijd uit op een imitatie, een imitatie over the top ook nog eens? Ik had bedacht dat het was omdat de homoseksuele mens nu eenmaal, aangezien zij zich niet voortplant, de taak heeft de versiering van de schepping te zijn, het broodnodige overbodige.’
Mooi geformuleerd en je leest continu van die mooie zinnen. Het is de verdienste van Meijsing dat ze van zo’n onderwerp een roman heeft gemaakt die persoonlijk is, maar nergens larmoyant of klagerig overkomt. Een roman die tot nadenken stemt en humoristisch is. Dit is gewoon goede literatuur.

Coen Peppelenbos

DOESCHKA MEIJSING: Over de liefde. Querido, Amsterdam, 237 blz. €18,95
Eerder verschenen in de Leeuwarder Courant, 29 februari 2008

dinsdag 26 februari 2008

Recensie LN: Gerard B. Berends - Een olifant op het strand

De bekendheid van Gerard B. Berends is de afgelopen maanden toegenomen dankzij het grote aantal gedichten dat Gerrit Komrij selecteerde voor zijn bundeling van kinderpoëzie. Dat is één van de positieve kanten van zo’n bloemlezing: vergeten dichters worden in de schijnwerpers gezet. Van Berends ken ik de verhalenbundel Twee mouwen uit 1996 die ik niet zo heel bijzonder vond en de bundel poëzie voor de jeugd Het sloeg twaalf uur uitgekomen in de Zonnewijzer-reeks van uitgeverij Holland in 1990. Tijd om eens wat nieuws te lezen en dat kan, want in de Windroos-serie is Een olifant op het strand verschenen.

Het mooiste gedicht vind ik ‘Een gebaar’. Misschien omdat het om iets futiels gaat, namelijk het gebaar dat je maakt om te maskeren dat je eigenlijk iets had willen zeggen, maar er toch liever vanaf ziet. Een gedicht over een wat nietsig gebaar dus, dat waarschijnlijk vrij herkenbaar is.

een gebaar


als je ’s morgens de gordijnen
opent naar buiten kijkt en je hand
door je haar strijkt

een gebaar van bijna niks
als je niet beter wist zou alles blauwer
mogen zijn of grijzer

je ziet dat wel eens als je iets wilt
zeggen en een ander zegt dan net
even eerder iets


Het heeft de kracht van een gedicht van Judith Herzberg. Er zit ook een klein irritant zinnetje midden in het gedicht ‘als je niet beter wist zou alles blauwer / mogen zijn of grijzer’ dat je niet direct kunt plaatsen. Is dat wat je denkt als je naar buiten kijkt en ziet hoe het weer is en het besef dat je daar niets aan kunt veranderen.

Er staan nog een paar andere gedichten in deze bundel die ik denk te kunnen begrijpen, maar over het algemeen snap ik de meeste gedichten niet. Dat ligt niet aan Berends, maar aan deze lezer die niet elke associatieve gedachte van de dichter kan navolgen. Ik weet dat hij vaak gebruik maakt van absurde invallen en graag speelt met taal. Het gevaar dreigt echter dat er een paar zinnen achter elkaar staan die ik wel intrigerend vind, niet door rijm, ritme of andere ouderwetse poëtische middelen, maar juist door de aparte opeenvolging van mededelingen en die ik toch niet ten volle begrijp.

zondagochtend


een buurman rolt zonder te groeten van het dak
en blijft zo stil liggen dat hij bijna slaapt

eefde ijssel wint van grave beneden de sluis
een rode krokodil kruipt uit een brievenbus

aan het eind van de ochtend is het avond
toe kleed je aan voor je vel krimpt


Is dit een jeugdherinnering aan lange vervelende zondagen thuis? Is dit wat je meemaakt op een doorsnee zondagochtend? Heeft die regel over Eefde IJssel te maken met een voetbalwedstrijd of met de waterstanden? Is die rode krokodil speelgoed? En is die buurman dood, in de zin van nooit meer slapen? Ik kan minutenlang staren naar zo’n gedicht alsof er een cryptische omschrijving staat en ik de enige ben die niet doorheeft waarover het gaat, terwijl ik ‘kleed je aan voor je vel krimpt’ wel een mooie zin vind.

Stiekem haal ik de jeugdbundel er weer bij. Dat zal ik toch wel snappen? Ook daar vind ik een zondagsgedicht.

het is zondag
een man groet een paard
een vrouw kamt oude dromen
een tafel smelt of maakt een krul

het is zondag
alle huizen hebben hoge poten
en verdwalen
gelukkig hebben ze een das om


Eigenlijk tref je precies hetzelfde procedé aan bij dit gedicht. Prachtige regels zoals ‘een vrouw kamt oude dromen’ die direct gekoppeld worden aan andere regels met een totaal andere inhoud, de lezer licht verbijsterd achterlatend.

Coen Peppelenbos



GERARD B. BERENDS: Een olifant op het strand. Uitgeverij Holland, Haarlem. 32 blz. €5,95
Verscheen eerder op Literair Nederland, 25 februari 2008.

zondag 10 februari 2008

Recensie LC: Nelleke Noordervliet - Snijpunt

Een casus belli van formaat

Snijpunt van Nelleke Noordervliet begint nog veelbelovend: een lerares, Nora, wordt met een mes gestoken door de islamitische jongen Ali. Eindelijk een roman over het multiculturele drama denk je, maar in de rest van de roman speelt dit steekincident nauwelijks meer een rol. Het was een truc van de schrijfster om de hoofdpersoon in verwarring te brengen. En zij is niet de enige die verward is, ook haar zeventienjarige dochter Franca heeft het moeilijk op weg naar haar volwassenheid en haar ex-man Guido is de mogelijke verblijfplaats van een verborgen cultschrijver in Italië op het spoor en laat niets meer van zich horen.

Als haar vader te lang wegblijft, gaat Franca hem zoeken, waarna even later ook Nora komt om op haar beurt haar dochter te zoeken. En weg is de actualiteit van het boek. Wat er voor in de plaats komt is aan de ene kant een psychologische roman waarin het gaat om de onderlinge verhoudingen en aan de andere kant een soort Ontdekking van de hemel.
Intussen wordt de lezer om de oren geslagen met verwijzingen naar klassieke werken en met totaal onrealistische dialogen. Natuurlijk mag de geleerde vader van Nora zinnen zeggen als: ‘Ali dringt jou zijn vijandschap op, niet vanuit een evenwichtig waardensysteem, maar vanuit een proto-totalitair denken, dat om zichzelf te legitimeren anderen ontmenselijkt en vervolgens hun uitroeiing nastreeft.’ Hij mag ook mopjes vertellen als: ‘al is de casus-Ali een casus belli van formaat, hij is nog best te behappen.’ Maar bijna iedereen praat zo ingewikkeld. Daarnaast heeft Noordervliet op elke bladzijde wel een paar vormen van beeldspraak staan. Veel te veel en vaak nogal clichématig: ‘Ze vreesde overspoeld te worden door een golf van krachtige passie, die niet te keren was.’ Het laatste deel van die zin is nogal overbodig. Dat komt vaker voor. Streep bijvoorbeeld de redundante zinnen in deze passage maar weg: ‘Misschien had hij toch koorts. Hij zag dingen die er niet waren. De werkelijkheid werd binnenstebuiten gekeerd. Wat zich in zijn verbeelding afspeelde meende hij echt te zien. Wat zijn ogen werkelijk zagen was als een luchtspiegeling.’
De roman gaat ten onder aan de gebrekkige stijl, want de bovenstaande voorbeelden zijn met tientallen andere voorbeelden aan te vullen. Een betere redacteur had hier heilzaam werk kunnen verrichten. Het is vooral jammer omdat uit haar vorige grote roman, Pelican Bay, bleek dat Noordervliet wel in staat is een goede, maatschappelijke roman te schrijven. Snijpunt daarentegen is mislukt.

Coen Peppelenbos

NELLEKE NOORDERVLIET: Snijpunt. Augustus, Amsterdam, 377 blz. €20,00.
Verscheen eerder in de Leeuwarder Courant, 8 februari 2008.

dinsdag 5 februari 2008

Recensie LC: Stendhal - Lucien Leuwen

Verdachtmakingen en vuige roddels

Lucien Leuwen is pas een halve eeuw na de dood van Stendhal, bekend vanwege Het rood en het zwart, voor het eerst in druk verschenen. Dat ligt waarschijnlijk aan satirische inslag van de roman. Als pas benoemd consul was het niet verstandig voor de Franse schrijver om zoveel kritiek te uiten op de mensen die boven hem stonden. Het koningshuis, de politiek, de adel en de gegoede burgerij van na 1830 worden flink op de hak genomen.

Frankrijk heeft de Revolutie achter de rug, de opkomst en neergang van Napoleon meegemaakt, een terugkeer gezien van het huis Bourbon en ook weer het afzetten daarvan. En dat alles in een paar decennia. In 1830 wordt koning Louis-Philippe op de troon gezet. Onder diens bewind krijgen de rijke burgers veel macht. Een daarvan is bankdirecteur Leuwen. Hij stuurt zijn zoon Lucien het leger in om hem voor te bereiden op het echte leven.
Bij het binnentrekken van Nancy valt Lucien van zijn paard, juist voor het raam van de mooiste vrouw. Het is liefde op het eerste gezicht, maar voor een burger, zelfs al is hij rijk, is het moeilijk om door te dringen tot de kringen waar de mevrouw de Chasteller deel van uitmaakt. Stendhal beschrijft spottend de talloze bijeenkomsten, waar de oude adel van de provincieplaats vol huiver staat te kijken naar die jongeman uit Parijs die langzamerhand de door veel jongemannen aanbeden vrouw weet te betoveren. Dat duurt zo’n driehonderd bladzijden en de romance wordt uiteindelijk door een list onmogelijk gemaakt.
In de volgende driehonderd bladzijden is Lucien terug in Parijs waar hij dankzij zijn vader een baan krijgt op het departement en onderdeel wordt van het gekonkel om de macht. Verdachtmakingen, vuige roddels, willekeur, omkoperij en valse beschuldigingen: alles komt voor en in het middelpunt staat steeds de rechtschapen en aan liefdesverdriet lijdende Lucien.
Na het zoveelste soireetje weten we wel hoe het verder gaat. De roman is erg langdradig, zelfs voor een schrijver die daar niet van houdt en andere schrijvers veelvuldig berispt. Zelfs wanneer hij haast maakt, duurt het lang: ‘Dit werd met veel meer omhaal gezegd en bijgevolg minder direct en met meer vrouwelijke omzichtigheid, maar ook met meer uitingen van welwillendheid en belangstelling dan wij in verband met de beschikbare ruimte hier kunnen opschrijven.’ Satire, maar na de twintigste keer wel vermoeiend.
Van mevrouw de Chasteller horen we niets meer. Daarin is het boek onaf. Net als het manuscript waarin blanco pagina’s zaten. Lucien Leuwen is vooral een roman voor mensen met zitvlees en veel belangstelling voor de Franse geschiedenis.

Coen Peppelenbos

STENDHAL: Lucien Leuwen. Vertaald door Leo van Maris. Atlas, Amsterdam, 607 blz. €34,90
Verscheen eerder in de Leeuwarder Courant, 1 februari 2008

dinsdag 29 januari 2008

Recensie LN: Bart Moeyaert - Gedichten voor gelukkige mensen

Is dichter Moeyaert net zo goed als de prozaschrijver?

Er is iets geks aan de hand met de poëzie van Bart Moeyaert. Nee, dat moet ik beter formuleren: er is iets geks aan de hand met de lezer van de gedichten van Bart Moeyaert. Of, om nog preciezer te zijn: ik heb moeite met die gedichten. Dat komt omdat ik het proza van Bart Moeyaert mateloos bewonder. Ik koop het meteen als het uit is, ik raad het iedereen aan, ik geef het zelfs cadeau. En daarom wil ik zijn poëzie ook heel erg graag heel erg goed vinden.
Bij de herdruk van de vorige bundel van Moeyaert, Verzamel de liefde, schreef ik al dat de dichter een paar keer langs de afgrond van de clichés scheerde, maar in de bundel Gedichten voor gelukkige mensen valt niet te negeren dat sommige gedichten het Candlelightniveau niet ontstijgen. Zie het volgende fragment uit ‘Zo heel jij mij’.

‘Je veegt de aarde
uit ons bed,
zoekt mij
onder het laken,
ziet wie ik ben.
Voorspelt geluk,
baadt mij in rust.
Zo heel jij mij
al jaren,
geneest mij
door te zijn.
Jij spreekt de taal
die ik versta,
hoort de seizoenen
in mijn stem,
aan mijn adem,
wat ik denk.
Jij kent de kunst
van nu en hier.
Vandaar dat ik je
leen, nee spaar
of beter nog: bewaar.’

Maar misschien vindt het grote publiek dit juist mooi. Uitgeverij Querido heeft er in ieder geval weer een mooi gebonden boekje van gemaakt, met leeslint, want je zou de weg maar kwijt raken in deze 52 bladzijden. Net als de herdruk van Verzamel de liefde is het ook weer vlak voor Valentijnsdag uitgegeven. De verliefde dichterlijke man of vrouw die het bundeltje deze keer cadeau wil doen, moet echter wel weten dat er deze keer veel gedichten in staan die Moeyaert heeft gemaakt toen hij stadsdichter van Antwerpen was. Niet altijd is direct duidelijk wat de link is met stad. Zo heeft hij voor alle 52 kaarten van een kaartspel tekstjes (vooral distichons) geschreven van het type ‘Schoolslag is slecht. / Blijf recht.’ ‘Is de boot lek, roei dan aan dek. / Help hozen.’ Vast heel mooi op de kaartspelen die, zo lezen we achter in het boek zijn verspreid in jeugdhuizen en bejaardenzorgcentra. Maar of je er nu zes bladzijden mee moet vullen in een dichtbundel? Zo zijn er wel meer gedichten die beter tot hun recht komen op de muur of op de toren waar ze voor bedoeld waren. Op de website van Bart Moeyaert zie je hoe een gedicht soms letterlijk op zijn plek valt.

Toch zie je aan bepaalde gedichten dat Moeyaert het wel kan. In het gedicht ‘Zwaan’ gebruikt hij ook geen enkel moeilijk woord, maar de eenzame zwaan die hij beschrijft, is een mooi beeld voor de verlaten geliefde of de geliefde die zelf is weggegaan. En dan staat hij wat mij betreft weer aan de goede kant van de afgrond.

Zwaan

Ik zag een zwaan
boven het Galgenweel.
Ze was niet onderweg
naar nog een zwaan.
Dat kon ik zien aan
hoe ze met haar vleugels
trok: daar was omzeggens
niets reikhalzends aan.
Je kunt een afscheid meten
Het gaat om kleinigheden.
Een licht geheven kop,
De grijze lucht rondom,
De richting van de wind.
Soms voelt een zwaan
geen verte en geen
reden om terug te keren.

Volgens mij heeft Moeyaert een wat strengere redacteur nodig. Juist in zijn proza is deze schrijver een meester in het weglaten; juist in zijn proza brengt deze schrijver meer lagen aan; juist in zijn proza zet hij de lezer vaak op het verkeerde been. Het is te hopen dat hij als dichter net zo goed wordt.

Coen Peppelenbos

Bart Moeyaert: Gedichten voor gelukkige mensen. Querido, Amsterdam. 52 blz. €15,-
Eerder verschenen op Literair Nederland.
Klik hier voor de podcasts van de stadsgedichten.

zondag 6 januari 2008

Recensie LC: Lionel Shriver - De wereld na zijn verjaardag

Als je een andere keus maakt

Hoe zou de wereld eruitzien als Hitler de oorlog gewonnen had? Wat zou er gebeurd zijn als Willem van Oranje de aanslag overleefd had? Dit soort vragen zie je de laatste jaren vaak terug in populaire geschiedenisboeken. Meer dan een leuk gezelschapspel levert dit meestal niet op. De in Amerika geboren schrijfster Lionel Shriver stelt zo’n speculatieve vraag in de fictie.

In De wereld na zijn verjaardag staat Irina, een van oorsprong Russisch-Amerikaanse vrouw die in Londen woont, op een kruispunt in haar leven. Gaat ze haar man bedriegen door de bekende snookerspeler Ramsey Acton aan de haak te slaan of weet ze de verleiding te weerstaan en blijft ze bij Lawrence, een saaie terrorismedeskundige. Shriver laat in de hoofdstukken daarna steeds zien wat er had kunnen gebeuren in het leven van Irina na de twee keuzes.
Zo op het eerste gezicht een leuk uitgangspunt, maar wat is het allemaal vervelend en voorspelbaar uitgewerkt. In de meer dan 600 pagina’s wordt uiterst wijdlopig een verhaal verteld dat samen te vatten is tot: die nieuwe man zal na verloop van tijd ook wel nare trekjes vertonen en als je bij die oude man blijft zul je net zien dat die overspel pleegt. Of zoals Irina op het eind uitlegt, want echt alles wordt voorgekauwd: ‘Aan iedereen is tenslotte wel iets wat niet deugt, toch? En uiteindelijk leer je daar gewoon mee te leven.’ Veel verder dan deze clichématige psychologische uitwerking komt Shriver niet, alhoewel ze op het eind ook nog de Twin Towers tegen de vlakte laat gaan en een van de hoofdpersonen laat sterven aan kanker in de ijdele hoop het literaire gehalte wat op te krikken door engagement en ziekte.
Aan alles is te zien dat de vertaling een haastklus was. Ramsey brengt Irina iets ‘onder het oog’, in de betekenis van duidelijk maken. Het woord ‘dyke’ is vertaald als dijk, terwijl die term in de lesbische wereld toch niet echt in zwang is. Maar misschien heeft de vertaalster ook haar handen ten hemel geheven als ze zinnen onder handen nam als: ‘Aan een nietig lontje flakkerde een vlammetje van woede, en ze staarde erin als gebiologeerd door een brandend kaarsje op een taart.’ En dan heeft de uitgever op de flap Irina ook nog Irena genoemd. Vier keer zelfs. Kortom: leuk idee, uitvoering volstrekt onvoldoende.

Coen Peppelenbos

LIONEL SHRIVER: De wereld na zijn verjaardag. Vertaald door Mieke Lindenburg. Contact, Amsterdam, 605 blz. €25,-
Eerder gepubliceerd in de Leeuwarder Courant, 21 december 2007.

zondag 16 december 2007

Recensie LC: Don DeLillo - Vallende man

Hoe leefden we vroeger?

De openingsscène van Vallende man is prachtig. Een man, aktetas in de hand, onder het gruis, glassplinters in het gezicht, loopt werktuigelijk door New York. Het is 11 september en de Twin Towers zijn net ingestort. Keith Neudecker ontsnapte op het nippertje aan de ramp en blijft lopen tot hij uiteindelijk aankomt bij het huis van zijn ex-vrouw Lianne.

Wat doe je als je een ramp overleeft? Dat is de psychologische vraag die Don DeLillo stelt. Keith verwerkt de schok in eerste instantie door de veiligheid van het gezin weer op te zoeken. Opeens ligt hij weer in bed bij zijn ex, is hij weer de vader in het gezin. Lianne ziet dat niet alleen haar persoonlijk leven drastisch verandert, maar ook haar werk. Ze geeft creatief schrijven aan mensen met de ziekte van Alzheimer. Na de ramp willen ze alleen nog maar over de vliegtuigen schrijven en niet over hun herinneringen. En hun zoon wordt lichtelijk paranoia na 11 september. Samen met vriendjes speurt hij het luchtruim af naar vliegtuigen en die gevaarlijke vent Bill Lawton, de verbasterde versie van Bin Laden.
Don DeLillo laat vanuit verschillende perspectieven zien hoe mensen verder gaan met hun leven en hoe moeizaam dat gaat. Hij kruipt zelfs in de huid van de terroristen die bezig zijn met het voorbereiden van de aanslag en later tijdens het uitvoeren ervan. Dat is een beetje een vreemd en overbodig element in deze roman. Deze gaat immers voornamelijk over de overlevers en die lijken bijna allemaal bezig met de vraag: hoe leefden we vroeger eigenlijk? Wat is nu nog belangrijk?
De titel van de roman verwijst naar een performancekunstenaar die overal in New York de vallende man uitbeeldt door zich ergens van af te laten vallen en dan in vallende pose te blijven hangen. Zo jaagt hij toevallige voorbijgangers, waaronder Lianne, enorme schrik aan, want telkens worden New Yorkers geconfronteerd met het trauma van de kantoormensen die hun dood tegemoet sprongen. Dat trauma heeft veel mensen veranderd, waaronder Keith. Een paar jaar na de aanslagen is hij beroepsgokker geworden aan de pokertafel. Het is niet moeilijk om daar de symbolische waarde van in te zien. Lianne demonstreert met haar zoon tegen de oorlog die Amerika voert. Daarin schuilt misschien een sprankje hoop dat sommige Amerikanen echt veranderd zijn. Het is het enige sprankje hoop dat DeLillo de lezer geeft.

Coen Peppelenbos

DON DELILLO: Vallende man. Vertaald door Anneke Bok en Rob van der Veer. Anthos/Manteau, Amsterdam. 239 blz. €18,95
Verscheen eerder in de Leeuwarder Courant, 7 december 2007

woensdag 12 december 2007

Recensie LN: Menno Wigman en Alfred Schaffer - Dagkalender van de poëzie 2008

Ongelezen goed

Dit is de eerste recensie die ik schrijf over een werk dat ik niet gelezen heb. Sterker nog ik ben niet van plan om dit werk in de nabije toekomst uit te lezen. Het is namelijk de Dagkalender van de poëzie 2008 samengesteld door Menno Wigman en Alfred Schaffer.

Het is heerlijk: ik hoef niets te vinden, ik hoef niets te analyseren, ik ga alleen maar bladeren. Ik had natuurlijk ook de Geert Mak-kalender kunnen nemen (ja, die bestaat echt) of de Peter van Straaten-zeurkalender, maar de rechtgeaarde poëzieliefhebber koopt gewoon de poëziekalender.
Deze kalender heeft al een lange historie. Ooit begonnen in een tijd waarin ook nog de Literaire agenda werd uitgegeven is de poëziekalender de ware overlever gebleken. Eerst gemaakt door Hans Warren en Mario Molengraaf (die volgens de dagboeken het meeste werk eraan besteedde) en sinds enkele jaren door Menno Wigman.
Ik denk dat de meeste mensen bij een kalender het eerst gaan kijken naar het vers op hun verjaardag. In mijn geval heeft Wouter Godijn dan een plek op de kalender. Het thema dierendag is gelukkig niet te dik aangezet in het gedicht ‘Familieportret’ dat begint met de intrigerende regel ‘Het konijn moet nog gedrild en de vaat begraven.’
Ik controleer ook even of mijn familie en vrienden met een aardig gedicht bedeeld zijn en check even vlug de feestdagen. Ja mooi, Vasalis op Moederdag, Leonard Nolens op Eerste Kerstdag, nou ja helaas Martin Bril met het platvloerse liefdeslied ‘De tieten van mijn vrouw’ op Valentijnsdag, maar voor de rest is het vol verwachting uitzien naar al die gedichten het hele jaar door.
Grote dichters als Eva Gerlach en Esther Jansma staan in deze bundel naast Femke Halsema en Jan Marijnissen. Diverse vertaalde en mij tot nu toe nog onbekende dichters wachten hun dag af: wie is Y. Th. Vafopoulus en wat schrijft Cahit Sitki Taranci? Meer vertaalde dichters dan ooit schrijven de samenstellers in hun voorwoord. En dat is misschien ook de grootste waarde van zo’n kalender: je ontdekt nieuwe dichters, je herleest oude meesters en je hernieuwt de kennismaking met hedendaagse poëten.
De bundel heeft dit jaar het wat zware thema ‘oorlog en vrede’ meegekregen, zonder daar al te rigide in te zijn, want dat vonden Wigman en Schaffer ‘al te vermoeiend’. ‘Toch zult u heel wat gedichten ontdekken die op leven en dood geschreven lijken,’ schrijven ze, het thema zo breed trekkend dat iedereen de kalender met een onbezwaard gemoed kan kopen en vol verwachting uitziet naar de eerste dag van het nieuwe jaar. Ik kan bijna niet wachten met scheuren.

Coen Peppelenbos

Menno Wigman en Alfred Schaffer (samenstellers): Dagkalender van de poëzie 2008. Meulenhoff, Amsterdam. €14,90

zondag 25 november 2007

Recensie LC: Tom Bissel - God woont in St. Petersburg

Je wordt hoe dan ook bedonderd

Douglas en Jayne houden van dure doelloze reisjes. En om de een of andere reden besluiten ze naar Kazachstan te gaan. Wie het vakantieverhaal leest van dit echtpaar zal zijn volgende reisje niet boeken naar deze voormalige Sovjetrepubliek. De wandeling die het echtpaar onder leiding van een getraumatiseerde Afghanistanveteraan moet afleggen nadat zij zijn overvallen, vergt het uiterste van hun incasseringsvermogen.

In de zes verhalen in God woont in St. Petersburg beschrijft de Amerikaan Tom Bissell de lotgevallen van zijn landgenoten die in Centraal-Azië zijn terechtgekomen. Ze zijn een beetje naïef, die Amerikanen. Ze komen met goede bedoelingen, zoals de Amerikaanse die namens de VN komt om het probleem van het Aralmeer aan te pakken. Dat enorme meer dat bijna geheel verdroogd is, enorm verzilt is en tot overmaat van ramp vol gif zit. De arme Amerikaanse wordt ontvoerd om haar niet de papieren VN-werkelijkheid te laten zien, maar de rauwe werkelijkheid.
Of neem Timothy Silverstone die naar Oezbekistan gaat om mensen te bekeren tot het christendom, maar erachter komt dat je met godsdienst weinig uitricht. De kinderen hebben les nodig en het liefst Engelse les, zodat ze tenminste nog de droom hebben vooruit te kunnen komen in de wereld. Maar de godsvruchtige zendeling wordt verleid door een jongeman en later door de minderjarige Susanna aan wie hij les geeft. Het van oorsprong Russische meisje is wanhopig. 'Voor Russen woont God alleen in St. Petersburg. God woont hier niet. Hij heeft ons in de steek gelaten.' Zij wil met hem trouwen en dan het land uit. Susanna doet dit met goedkeuring van haar moeder die ook geen andere uitweg weet.
De inhoud van de verhalen is vaak troosteloos. Wie in Kazachstan, Oezbekistan, Afghanistan of wat voor –stan terechtkomt, kan al zijn hoop wel laten varen. Daardoor worden deze verhalen ook een beetje voorspelbaar. Of je nu als journalist, toerist of wetenschapper naar Centraal-Azië gaat, je wordt hoe dan ook bedonderd, overvallen, belogen of verraden. Het pijnlijke is dat Bissell de waarheid waarschijnlijk niet heel veel geweld aan doet. De schrijver houdt vooral de Amerikanen een spiegel voor, maar waarschijnlijk staat bijna de hele westerse wereld net zo onwetend tegenover deze landen. Dat is misschien het meest schrijnende.

COEN PEPPELENBOS

TOM BISSELL: God woont in St. Petersburg. Vertaald door Joop van Helmond. Anthos, Amsterdam, 208 blz. €17,95.
Eerder verschenen in de Leeuwarder Courant, 16 november 2007

woensdag 21 november 2007

Recensie LC: Jonathan Coe - De regen voor hij valt

Een leven in twintig foto’s

Het lijkt een bekend literair gegeven te zijn: het huis van iemand die net overleden is, wordt leeggehaald en daardoor komen zorgvuldig bewaarde geheimen naar boven. Gill haalt het huis van haar tante Rosamund leeg en stuit op cassettebandjes die haar tante heeft ingesproken. Wat er band staat, is bestemd voor Imogen. Gill heeft Imogen slechts als meisje gezien op een feestje en daarna nooit meer. Omdat ze verdwenen is, besluit Gill de bandjes samen met haar dochters af te luisteren. En met het indrukken van de knop begint De regen voor hij valt van de Brit Jonathan Coe pas echt.

Zo’n raamvertelling is wat omslachtig, (Gill en haar dochters zijn eigenlijk overbodig), en ook Rosamund vertelt het verhaal niet in een ruk, maar deelt haar eigen levensverhaal in aan de hand van foto’s die ze chronologisch behandelt. Elk nieuw hoofdstuk begint met een uitvoerige beschrijving van de foto om de blinde Imogen een idee te geven wat erop staat voordat het verhaal verder gaat. Door dat bij elk hoofdstuk te herhalen lijkt het of de verteller telkens even op de rem staat. Eerst moet verteld worden welk huis te zien is, welke personen te herkennen zijn, wat ze aanhadden, wat de kleur van hun kleren is, etc. En dat twintig keer, want tot zoveel foto’s is een leven te reduceren.
Wat we vooral te weten komen is de geschiedenis van Rosamund, haar jeugd in de oorlog, haar liefde voor vrouwen en het verlangen naar een kind. Dat kind krijgen zij en haar vriendin letterlijk in de schoot geworpen. De vrouw met wie Rosamund in de oorlog ondergedoken zat, laat haar dochter achter en gaat voor een hele lange tijd de hort op met een nieuwe geliefde. Dat kind, naar later blijkt de moeder van Imogen, zorgt voor het grootste geluk in het leven van Rosamund. Dat geluk valt natuurlijk in duigen en de rest van het leven van Rosamund is voornamelijk een zoektocht om die gelukkige periode te herstellen. De periode waarin de regen nog niet gevallen is.
Coe vertelt veel over de levens van vrouwen in de oorlog en de decennia erna en dat levert een aardig tijdsbeeld op van vrouwen die nog hun weg moesten veroveren in de wereld. De constructie zit een soepele vertelling echter in de weg.

Coen Peppelenbos

JONATHAN COE: De regen voor hij valt. Vertaald door Cecilia Tabak. Querido, Amsterdam, 221 blz. € 18,95
Eerder verschenen in de Leeuwarder Courant, 9 november 2007